article NL EN
24.01.2018
De heilige overwinning van Hong Sang-soo

Daijiga umule pajinnal [The Day a Pig Fell Into the Well] (Hong Sang-soo, 1996)

De materie verschijnt als zodanig: de personages duiken op in de economie van het spectaculaire, van de exotische ontheemding, onverhoeds zoals in een schilderij van Cézanne.

’s Nachts, op de achterbank van een taxi, in de verfrommelde lakens van het bed van een vrijgezel, in een grenzeloze stad die een heel grondgebied zou kunnen bestrijken. Hotelkamers, restaurants en cafés, de natuur gehurkt aan de rand van het kader. Een tempel bezoeken betekent dat je een overstroomde weg beklimt te midden van een groep toeristen; op een meer varen betekent dat je gevangen zit in een waterfiets die op een hemelsblauwe appelboom lijkt en die de hele ruimte inneemt. Het gras, dat is de helling, de heuvel die boven de binnenplaats uitsteekt, de bloemen zijn ellendig.

Zoals in een schilderij van Cézanne maakt het onderwerp zich los en verschijnt het in volle kracht, zonder kunstgreep om de oprechte perceptie, de naaktheid, de copulatie te maskeren. In de films van Hong Sang-soo is alles doordacht, gewild. De scheidingswanden zijn ondoordringbaar maar de nevenschikking van segmenten geeft een soort van hilarisch en wreed gas vrij.

De mannelijke personages zijn afgunstig en laf, verteerd door de verborgen competitie die hen tegen elkaar opzet. Maar zoals de film zelf ondernemen ze de heroïsche zoektocht naar hun morele (en, voor het grootste deel, artistieke) waarheid.

De vrouwen zijn de echte held(inn)en, de dapperen. Vernederd (verslagen?) blijven ze meesteressen van de tijd, de tijd die het verleden en het heden scheidt van het verhaal, van alle tijd verloren aan de mannen. Ik denk vaak aan het einde van Daijiga umule pajinnal [The Day a Pig Fell Into the Well], tegelijk een zelfmoord en een start. Deze scène heeft me sindsdien achtervolgd omdat ze ons tot een bliksemsnelle terugkeer dwingt naar de structuur van de film, naar de knoop van leed die alle personages knevelt.

“Omdat hij argwaan koesterde voor de afwijkingen die zijn vurig temperament met zich meebracht, was Cézanne niet erg spraakzaam, zelfs in de beperkte kring van zijn beste vrienden. Hij bleef zwijgzaam totdat hij, aangespoord door de uitlatingen rondom hem, zich niet meer kon beheersen en een geestigheid afvuurde of begon te vloeken om zijn mening te maskeren. Desalniettemin, wanneer hij het noodzakelijk achtte te spreken, bracht hij zijn standpunt onder woorden met een bewonderenswaardige logica en helderheid. Het moet gezegd dat zijn vervloekingen aanleiding leken te geven om hem af te schilderen als revolutionair, terwijl hij enkel een opstandeling was uit verontwaardiging.” – Georges Rivière, 1933

Hong Sang-soo zal deze referentie naar Cézanne, die hij vaak aanhaalt, kunnen waarderen, alsook mijn bedachtzaamheid als ik over hem spreek. Hij is als een geschonken boek, waarvan we ontdekken dat bepaalde bladzijdes zorgvuldig zijn uitgescheurd en dat zodoende plotseling alles ontbreekt. Zijn films hebben onze toestemming niet nodig, ze eisen een totale omarming.

Deze tekst verscheen oorspronkelijk als ‘La sainte victoire de Hong Sang-soo’ in Cahiers du Cinéma, 597 (2005). © Cahiers du Cinéma