article NL
05.04.2017
De politieke Logan

Logan (James Mangold, 2017)

In een apocriefe vertelling beschreef de Duitse schilder Gerhard Richter het werk van zijn collega Erwin Wurm ooit in volgende woorden: Het werk van Erwin Wurm is slimmer dan Erwin Wurm zelf.” We zouden Richters uitspraak ook kunnen omdraaien: sommige werken zijn een stuk dommer dan hun auteurs. Voor James Mangolds Logan (2017) – de recentste worp in de uitermate extensieve X-Men-reeks – is laatste uitspraak geldig.

In elk opzicht is Logan een hyperpolitieke film. Er zijn weinig blockbusters die zo ostentatief een activistische agenda ten tonele voeren. Op zich hoeft dat niet problematisch te zijn: nagenoeg elke actiefilm, van RoboCop tot The Dark Knight Rises, vertoont milde tot meer zichtbare politiserende neigingen. Logan daarentegen biedt zich boven alles aan als een politieke film, een buitengewoon politieke film zelfs, en dient dus ook op die kenmerken beoordeeld te worden.

De lijst aan politieke rebussen in Logan is eindeloos, op het vermoeiende af. Waar te beginnen? Hugh Jackman speelt een aan lagerwal geraakte supermutant die nu als Uber-chauffeur zijn kost verdient. Een ontmoeting met een Mexicaanse migrante confronteert hem met zijn onverwerkte verleden: de vrouw stelt hem voor aan een jong meisje dat tekenen van mutatie vertoont en opgejaagd wordt door leden van de Amerikaanse regering (mutanten zijn buitenwettelijk verklaard in het gehele land). De Spaanstalige vrouw is zelf kind van geïmmigreerden; ze wordt gered door een Mexicaanse inwijkeling die haar offer met het leven zal bekopen. Het kind blijkt uiteindelijk lid van een grootschalige groep nieuwe X-Men-producten te zijn, die worden nagejaagd door een bedrijf dat hen staatsgevaarlijk acht. Deze mutantenkinderen zelf worden natuurlijk niet ter plekke, in de Verenigde Staten, geproduceerd, maar in een gedelokaliseerde fabriek in Mexico. De beslissing om het productiewerk naar een lagelonenland te verplaatsen heeft kennelijk niet alleen economische redenen – het is goedkoper om mutanten te produceren in een land zonder vakbonden, laten we stellen – maar ook legale oorzaken: in tegenstelling tot de Verenigde Staten neemt de Mexicaanse staat in Logan het niet zo nauw met bepaalde cybernetische productiestandaarden, en het nieuwe slag mutanten dat nu over de grens wordt geproduceerd lijkt niet aan alle veiligheidseisen te voldoen. Beelden van malafide praktijken aan een Mexicaans-Amerikaanse grenspost zetten deze metafoor kracht bij – Trumps territoriale plannen zijn nimmer veraf. De kinderen zelf moeten over de noordelijke grens van de VS zien te raken, waar een goedaardige Canadese president – een zekere heer Trudeau mogen we veronderstellen – hun politiek asiel zal verschaffen. Niet verwonderlijk is ook de verzameling mutantenkinderen die uit deze fabriek voortkomt een erg divers kransje: het gros van hen is van gemengde afkomst en de enige blanke exemplaren in het geheel zijn onherkenbaar dierlijk: ze hebben een reptielenhuid, dragen visachtige kieuwen, et cetera.

Logans politieke boodschap laat zich echter nog het makkelijkst lezen aan de hand van de booswichten die Mangold opvoert. De mutantenjager zelf heeft een onmiskenbaar Zuiders accent en draagt de onvermijdelijke naam Donald (met de Southern drawl die dit personage hanteert wordt het dubieuze aspect van deze naam des te meer geaccentueerd). Het merendeel van zijn doodseskader bestaat uit ondraaglijk blanke mannen: tussen de mutantenjagers is geen enkele gekleurde agent te bekennen.

Hetzelfde patroon is terug te vinden in de rondzwervingen van de protagonist. Logan – de huidige Wolverine – ziet zijn eigen blankheid pas in wanneer hij de reddingsoperatie voor de jonge mutant onderneemt. Terwijl hij in de eerste scène nog achteloos enkele latino’s over de kling jaagt, zijn deze daden vooral te lezen als een symptoom van een gebrek aan politiek bewustzijn (een tekort aan wokeness zoals bepaalde links-liberale media het lieten uitschijnen). De moorden zijn een teken van prepolitieke losbandigheid: uiteindelijk mag er nog enkel met een doel gemoord worden, met name blanke mannen, en dient hij de handschoen op te nemen voor de bedreigde minderheden. Wanneer Logan eindelijk beslist om zijn mutantenkind veilig naar de Canadese grens te begeleiden, duikt al snel zijn racistische dubbelganger op. Logan #2, gefabriceerd door de behendige mutantenjagers, wijst hem erop dat hij vanaf nu als ‘rassenverrader’ te boek zal staan. Logan zelf moet nu het gevecht aangaan met zijn interne blanke man: “kill the white guy in your head” wordt “kill the mutant hunter in your head”. Politieke volwassenheid betekent voor Logan een verzoening met zijn antagonistische sociale status. Half mutant, half mutantenjager dient hij zich uiteindelijk voor de goede zijde uit te spreken (in vorige X-Men-films was al een gelijkaardige thematiek te ontwaren, met personages à la Magneto die volgens sommige interpretatoren voor de hardere lijn van Malcolm X stonden, terwijl Charles Xavier de ‘verzoeningstactiek’ van Martin Luther King representeerde).

De familie die uiteindelijk Logan en zijn jonge mutantenprotegé in huis nemen is ook, op voorspelbare wijze, zwart. We krijgen een voorbeeldig Afro-Amerikaans gezin te zien dat uiteindelijk moet sterven voor de superdiverse Zaak: de vader tracht Logan en zijn beschermelinge nog te verdedigen tegen de boosaardige moordmachine die door zijn vijanden gecreëerd is, maar sterft door toedoen van die dubbelganger, samen met zijn zoon en echtgenote. Het koppeltje opereert in een symbolisch martelarendom: het is het gezin dat moet sterven op de messianistische queeste, als een van de families die ten onder gaan wanneer Herodes zijn gebod uitvaardigt. De avond van de moord helpt Logan de zwarte huisvader zijn waterkraan te repareren met behulp van zijn buitengewone vaardigheden; dit met tegenzin van enkele blanke landeigenaren, die een duidelijke antipathie koesteren voor de nieuwe vriend van hun zwarte buur.

Zulke elementen zorgen al snel voor een vervelend symptomatische lezing. De kijker vraagt zich af of dergelijke ingrepen vooral moeten inwerken op het filmisch Onbewuste – als betrof het hier eerder onschuldige associaties – of dat Mangold bewust aan auctorieel activisme doet. Beide opties zijn natuurlijk mogelijk: expliciete en impliciete referenties kunnen naast elkaar bestaan; zowel RoboCop als The Dark Knight Rises schommelen tussen vertier en politiek, kaskraker en handvest.

Onvermijdelijk leidt zo’n lezing – zoals bij The Dark Knight en RoboCop – ook bij Logan tot contextuele moeilijkheden. Waar staat Logan voor, gegeven al die politieke pretenties? Wat drukt Logan, vandaag, als film uit? Tijdens haar campagne liet de Amerikaanse presidentskandidate Hillary Clinton enkele doctoraatsstudenten haar Twitterprofiel overnemen, om hen dat te laten vullen met uitspraken over ‘intersectionaliteit’ en ‘institutioneel racisme’. In een antwoord op de campagne van de socialist Bernie Sanders stelde Clinton dat “het afschaffen van megabanken niet inhoudt dat er een einde komt aan het politieracisme”. In de campagne orakelden Democratische experten over een nieuwe coalitie van links-liberale academici en stedelijke minderheden, die de racistische tsunami uit het Zuiden zouden kunnen indammen. De taal van ‘minderheden’ en ‘intersectionaliteit’ bezit voor dit publiek een uiterst grote bruikbaarheid: Clinton kon tijdens haar campagne haar steun uitspreken voor de Black Lives Matter-beweging en gevangenishervormingen.

Geen film biedt een beter voorbeeld van dergelijk discours dan Logan. Meer zelfs: Mangolds werkstuk oogt bij momenten als een misplaatste campagnestunt voor het Clintonkamp, als een reclamefilmpje dat enkele maanden te laat komt. Net zoals Clinton schrijft Logan de blanke arbeidersklasse bij voorbaat af: hopeloos racistisch, moreel verwerpelijk, politiek enggeestig. Net zoals Clinton vraagt Logan om een eenzijdig sentimentele empathie voor minderheden eerder dan een politieke strategie te ontwikkelen. Net zoals Clinton adoreert Logan de Canadese optie: gezamenlijke migratie is beter dan lokale organisatie.

Ondanks deze dubieuze grondslagen viert de pers Logan als een uitzonderlijke verwezenlijking: “een verdiend pensioen voor Wolverine” (De Morgen), “een bezienswaardigheid” (De Volkskrant). Vermakelijke cinema, politiek ambitieus, met narratieve verve gebracht. Dergelijke lectuur bewijst lippendienst aan de politieke aspiraties van de film, als een onschuldig voorwendsel dat Mangolds geesteskind enige hedendaagse relevantie verschaft; hier wordt ons iets medegedeeld ‘over onze tijd’. Gelukkig hoeven zulke recensies de film ook niet af te rekenen op die politieke pretenties: ze zien die als een aangenaam supplement, het filosofische glazuur op een voor de rest perfect reguliere suikertaart.

Jammer genoeg is Logan meer dan dat. Ondanks zijn vermommingen als actiefilm is het een werk dat bol staat van het activisme – bijwijlen op het manifeste af. Logan bedrijft een politiek die in al haar vormen ‘automatisch’ is: het filmisch herkneden van een heersende consensus, doorspekt met enkele activistische suikerkrenten. Bovenal is het een teken van een afgematte politieke verbeelding die zich op wanhopige wijze toch nog als subversief tracht aan te bieden. Net zoals figuren als Lena Dunham of Meryl Streep bedrijft Mangold de meest luie vorm van politiek: de leeghoofdigheid van de kaskraker moet nu ook obligaat gehypothekeerd worden door middel van een cryptoracistisch minderhedendiscours, dat een genereus publiek vindt in elke westerse mediakaste.

Dat alles laat vooral uitschijnen dat Mangold een stuk slimmer is dan hij zijn films wil laten lijken. Jammer genoeg begaat Mangold, net zoals de boosaardige professors in de X-Men-films, de fout kinderen op de wereld zetten die een stuk gevaarlijker zijn dan hijzelf. Ze volgen zijn orders niet op en beginnen hun eigen projecten te ondernemen. Dat is inderdaad een pijnlijke illustratie van Richters uitspraak.

Beeld uit Logan (James Mangolds, 2017)