article NL FR
31.01.2018
Het beeldenkerkhof

Le diable probablement (Robert Bresson, 1977)

In een spookstad achtervolgt Robert Bresson het schaduwspel van de dood. Le diable probablement is meer dan een verhaal. De film is een fascinerende en ijzige nachtmerrie.

Bresson is een monument. Je benadert hem overladen met herinneringen en commentaren, je voortdurend afvragend of zijn nieuwe werk deze oude, zware lofzangen zal kunnen weerleggen. De begintitels van Le diable probablement verdrinken het beeld in een nacht die wordt doorkruist door enkele lichten, een sirene op de rivier: dit nachtelijk gejank is de stad, Parijs. Het verhaal dat zich begint te schrijven op deze zwarte pagina, beweeglijk en verscheurd door onmenselijk geschreeuw, is dat van de jonge Charles, die zelfmoord heeft gepleegd of van het leven is beroofd. Hij verschijnt op de voorpagina van de krant, waar de nieuwsstroom kolkt: heeft hij de hand aan zichzelf geslagen? of is hij vermoord? Vervolgens worden ons de maanden verteld die voorafgaan aan de verschijning van de overledene aan het dodelijke oppervlak van de actualiteit.

Dit verhaal is eerst en vooral geluid: geluiden van de bus en de metro, geluiden van neervallende bomen en van creperende dieren, geluiden van deuren die langs alle kanten klapperen en kraken, het finale geluid van de revolver van ‘de vriend’ die door Charles betaald is en hem doodt in de duisternis van Père-Lachaise. Kwellend geknars en geknal. Tevergeefs bedekt Charles zijn oren. De wereld waarin hij leeft, is gemaakt van kabaal zonder betekenis, absurd en overweldigend. Het overschreeuwt de menselijke stemmen, die zijn als korte zinspelingen tussen al het gekrijs van brutale en gebrutaliseerde dingen. Het geraas houdt zelden op, tenzij voor een enkel moment in de kerk. Daar sluiten de twee toekomstige handlangers zich op een nacht op om er het onwerkelijke wonder van Monteverdi’s Ego dormio te horen oprijzen.

’s Ochtends, zal de betovering verbroken worden, met de terugkeer van de geestelijken, die politieagenten zijn. Desondanks heeft er een moment van genade plaatsgevonden, mythisch en mystiek. Zoals een gisant, onbeweeglijk, al dood. Charles is de Perceval die door de muziek wordt ingewijd in een onbekende slaap. Naast hem ligt zijn ‘vriend’, die hem verlaat bij dageraad, de offerblokken leegrooft en hem overlevert aan de politie, alvorens hem te doden voor een krats. Het beeld stilgelegd, de tijd een halt toegeroepen: voor even bevinden de nobelman en de schurk zich zij aan zij. De bressioniaanse legende staat er stil, zoals Charles, naast en tegenover een voortbewegende geschiedenis geplaatst die onvermijdelijk ‘duivels’ is. ’s Ochtends komt het gebrul van de stad, de ‘wereld’, weer op gang.

Een onbewoonbare wereld

Deze centrale scène spreekt voor de stijl van de film. De vreemde schoonheid van de held, ondefinieerbaar en vaag, is die van een schaduw. Charles is ver van zichzelf. Hij komt van voorbij de dood (en van voorbij zijn dood), die een spoor van stilte trekt in een steeds meer bewoonde en steeds minder bewoonbare wereld. Hij beweegt zich doorheen de scènes als een spookbeeld, omgeven door personages zonder diepte. Deze figuranten van de onzin zijn de levenden: de vriend-verrader, die natuurlijk een onbetrouwbare verslaafde moet zijn; Michel, de verliefde en machteloze filantroop; de bleke vrouwen die Charles met blinde ijver omringen (wanneer één van hen verklaart dat “hij gered is” kunnen we er zeker van zijn dat zij in het verhaal het moment van zijn zelfmoord aanduidt); daklozen samengebracht in een plakboek; etc. Een hele kleine, onbestaande wereld die dient ter illustratie van het bressoniaanse thema. Voeg hierbij de brokstukken en scherven van de journalistieke stereotypen van de jeugd: drugs, anarchisme, ecologie, wanhoop, etc. Zelfs de grote boze burgerlijke psychoanalyticus krijgt een plaats in dit album.

De mythe bestaat uit het afval van de dagelijkse pers. Het verhaal is samengesteld uit een collage van fragmenten waarin een werkelijkheid verdwijnt die bij voorbaat bestemd was om veroordeeld te worden. Deze vernederde beelden, opzettelijk afgeplat en doods, staan in vreemd contrast met het levendige van de geluidsband, alsof de film, die voorheen stom was, zich steeds meer beweegt in de richting van het onzichtbare volume van hartverscheurende of zachte geluiden en in een soort van willoosheid de koude beeldpracht afwijst die nog steun biedt aan geluiden en stemmen. Is Bresson niet één van de pioniers geweest van deze omkering van zien en horen (cf. Un condamné à mort s’est échappé)?

Beklemming, angst

Hier verscherpt hij de beklemming die wordt voortgebracht door zijn studies, in al hun hallucinante en abstracte bleekheid. Hij vergroot de benauwdheid door de reproductie van zijn innerlijke wereld en van de werelden die eraan voorafgingen. Overal worden de scènematige schema's en methodes herhaald die hem zo dierbaar en ons zo bekend zijn (de kaders, de camera die zich richt op de deur voordat ze geopend wordt, etc.). Hij sluit ons op in zijn herinneringen, die ook de onze zijn geworden. Door vroeger werk te citeren doet hij zijn film tegelijkertijd in zichzelf keren en zich uitbreiden. De verbrokkelde stereotypen over de jeugd dienen als spiegels waarin citaten en fragmenten uit Bressons voorbije oeuvre zich vermenigvuldigen. Dit schaduwspel richt het doolhof in van een rijk en eenzaam geheugen. Een uitgestrekte maar gesloten wereld, meer dan ooit door spoken bevolkt, ingewikkeld, onttrokken aan de toeschouwer en fascinerend, zodat er, op lawaai na, bijna niets van de werkelijkheid binnensijpelt. Het geheel lijkt op de begraafplaats van Père-Lachaise, waar de film zijn laatste rustplaats vindt. Zerken bij nacht. Een enkel moment, tussen de grafschaduwen, een blauw en ver beeld van een televisiescherm. Uiteindelijk stopt de camera bij het jonge lijk, het ligbeeld dat in al Bressons films opduikt, uitgesloten van een verhaal waaruit hij niet eens zelf heeft kunnen stappen. Achteraan in deze mythische en dodelijke ruimte ontsnapt een levende die niets anders kan zijn dan een smeerlap.

Meer dan een verhaal is Le diable probablement een structuur, zoals in een nachtmerrie. Door dit land reist geen enkele lach. Van de stad wordt ons noch de hartstocht, noch de vreugde getoond. Dit spookachtig decor is het toneel waarop slechts beklemming en angst verschijnen – “de Duivel waarschijnlijk”, zoals terloops wordt gesuggereerd door de anonieme passagier van een denderende bus waarvan niemand weet waarheen hij gaat. 

Deze tekst verscheen oorspronkelijk als "Le cimetière des images" in Les Nouvelles littéraires, 23-30, juni 1977.

Veel dank aan Luce Giard en Margo Van Herreweghen