article NL
11.07.2018
In de knoop

(1) Mission: Impossible (Brian De Palma, 1996)

Een man en een vrouw kijken naar een monitor. We zijn in Kiev, de naam van die stad verschijnt op het filmscherm. Maar doet dat ertoe? We zijn waar we zijn als toeschouwers, in de cinema dus. Maar ook dat doet er niet toe. Een intrige ontvouwt zich op het monitorscherm, de camera glijdt ernaartoe. Het is 3 december 1996, in het holst van de nacht. Een vrouw ligt bewegingsloos op bed in een hotelkamer, er zijn sporen van bloed. Een radeloze man op een stoel wordt ruw aangemaand om een naam te lossen door een man met een volle snor en een sigaar. Het blijkt allemaal doorgestoken kaart om de ontredderde man erin te luizen. Als eenmaal de naam is ontfutseld, krijgt de man een vergiftigd drankje, hij kokhalst en zijgt neer. De besnorde man gooit een tafeltje omver en opent een deur buiten beeld. Hij komt tevoorschijn in de deuropening naast de monitor. Hij verschijnt vanuit het beeld in beeld. Een elders dat een hier wordt, een elders dat misschien altijd al (een) hier was. Dat is wat alleen cinema kan. De man rukt een rubberen masker van zijn gelaat, het hoofdpersonage van de film schuilde erachter. Ook de hotelkamer blijkt een masker, het is een decor opgebouwd in een grote loods. De houten panelen die als muren dienden, worden in een handomdraai opzijgeschoven. Meerdere mannen komen schoon schip maken, de levenloze vrouw op bed krijgt een spuitje om haar weer bij te laten komen, ze ontwaakt en prevelt: “Did we get it?” ... “We got it.” Een harde cut naar een brandend lont. Dum, dum, dum, dum ... Mission: Impossible, een film van Brian De Palma uit 1996, met Tom Cruise in de hoofdrol.

Van de gevangenis van het monitorbeeld naar de vrijheid van het filmbeeld, van het gebeuren binnen een scherm naar het gebeuren op het scherm. Het imaginaire wordt reëel, maar blijft een beeld. We schuiven van beeldmateriaal, ‘visuel’, naar beeld, ‘image’.1 Mise-en-scène, een beeld maken, dekt de wereld niet af, maar steeds weer de loop van andere valse mise-en-scènes. Beeldmateriaal blijft een solipsistisch circuit, een gesloten kooi. Mise-en-scène is de kooi openzetten waardoor de wereld naar binnen kan vliegen – en voor de toeschouwer naar buiten, naar hem toe. Mise-en-scène is niets anders dan een mise-en-nœud, in een knoop leggen, aanknopen: de hand op de klink, het opengaan van de deur is dit (knoop)punt. Het (ver)strikken van ruimte en tijd, aan de toeschouwer om de knoop weer los te tornen, de film weer uit de knoop te halen. We kruipen in het beeld door het open te vouwen, het is een concentrische beweging die plots weer openspat. Het is een concentratie die groter maakt. Mise-en-scène is door het oog van de naald kruipen om in een andere wereld uit te komen. Het is een verkleinen dat de horizon verbreedt. Het is een beperken, een inperken, om te verruimen. Dat is de noodzakelijke beweging van de mise-en-scène: van breed naar een (knoop)punt en weer breed, als een vlinderdas. Mise-en-scène is het vouwen van dat strikje.

Toen de filmcriticus Hajime Takizawa in een interview aan Kenji Mizoguchi vroeg: “Om te besluiten, wat is mise-en-scène volgens u?”, antwoordde die laatste: “Het is de mens! Men moet proberen de mens juist uit te drukken.”2 Mise-en-scène is nooit een gordiaanse knoop, het is nooit onontwarbaar, het is verwarrend, het zet iets op het spel, maar het is steeds ontwarbaar, het is altijd juist – denk ook aan het Franse ‘juste’: rechtvaardig of eerlijk. Bij mise-en-scène is er geen buitenkant, er is een hele (integrale) wereld op het scherm. Het is een binnenkant die gewag maakt van een buitenkant, de buitenkant incorporeert, zich de buitenkant eigen maakt, zich verhoudt tot de buitenkant. Een buiten dat een binnen wordt, een buiten dat misschien altijd al (een) binnen was. Ook dat is wat alleen cinema kan. Bij De Palma wordt de ruimte een huis met verborgen kamers, een zolder of kelder met een geheime wand, een koffer met verdekte compartimenten, een kamer met aanpalende kamers, ruimte behelsd door een omvangrijkere ruimte. Maar de (beeld)ruimte staat tegelijk altijd op zich.

Film is geen spiegel van de werkelijkheid, geen simulatie, film is een openvouwen van de werkelijkheid. Film is geen dichtklappen, vastzetten, maar een openplooien, openspalken. Films zijn klanken en beelden die op een kier staan. Mise-en-scène is de wereld vastzetten in beeld om haar te bevrijden van het beeld, haar weer vrij te geven. Als de wereld enkel geschoeid wordt in het beeld (als beeldmateriaal), wordt film een taxidermie van die wereld. Als eenmaal door het beeld heen bevrijd uit het beeld, wordt film een deel van een uitdijende wereld.

(2) Mission: Impossible (Brian De Palma, 1996)

  • 1. Serge Daney, Devant la recrudescence des vols de sacs à mains, cinema, télévision, information (1988-1991) (Lyon: Aléas Éditeur, 1991), 192-193.
  • 2. Michel Mesnil, red., Cinéma d’aujourd’hui n° 31. Mizoguchi Kenji (Parijs: Éditions Seghers, 1965), 127. [eigen vertaling]

Beelden (1) en (2) uit Mission: Impossible (Brian De Palma, 1996)