Sabzian

Prisma #5

19/04/2017
Nina de Vroome

De recensie van Goed volk in De Groene Amsterdammer van 9 februari 2017 zette me aan het denken. In dit boek schetst Teun van de Keuken een beeld van zijn jeugd. Hij groeide op in de schaduw van zijn vader, die als een bezetene aan zijn oeuvre werkte. Documentairemaker Johan van der Keuken maakte geen compromissen en zelfs een gesprek met kinderen werd ‘een politiek kruisverhoor’. In zijn recensie vraagt Cyril Offermans zich af of hij na het lezen van Goed volk nog even onbevangen naar van der Keukens films kan kijken als voorheen. Het lijkt of Goed volk een ander gezicht van van der Keuken toont dan dewelke Offermans dacht te kennen.

Maar de ontmaskering van van der Keuken in deze recensie ontmaskert tegelijk de manier waarop er vandaag naar documentaire cinema gekeken wordt. 

Teun van de Keuken beschrijft hoe de films van zijn vader de ongelijkheid in de wereld aanklaagden, terwijl hij hier zelf niet echt door geraakt leek. “Hij maakte zich namelijk vooral kwaad over de oneerlijke structuren en systemen (…), huilen om stervende kindjes, zoals hij die in Biafra had gezien, deed hij niet.” Toen ik dit las werd het me zwaar te moede, want wat helpen tranen ons? Misschien is de tijd van de documentaires zoals Johan van der Keuken die maakte inderdaad definitief voorbij. De filmmaker is van achter zijn camera vandaan gekomen om naast een kind op de stoep te gaan zitten en het te troosten. Misschien is hij vooral een publiek figuur die medeleven oproept voor de ongelukkigen. Maar deze gesimuleerde empathie is een rookgordijn. We moeten oppassen dat we door de waas van tranen de wereld niet helder meer zien. De filmmaker moet afstand nemen om te zien welk systeem die tranen veroorzaakt. Dit systeem gaat verder dan de druppels in het stof van Nigeria, het bestaat in onze geglobaliseerde wereld en hangt samen met kolonialisme en kapitalisme. Johan van der Keuken was geraakt door de werkelijkheid, ook al was zijn gezicht niet nat.

Nina de Vroome