ARTICLE NL FR
5.09.2018
Een nieuwe slag om Hernani

De film die niet zal worden voorgesteld in Cannes: Farrebique

Farrebique ou les quatre saisons (Georges Rouquier, 1946)

De commissie die de belangrijkste Franse films kiest voor het internationaal filmfestival van Cannes heeft met een verpletterende meerderheid Farrebique weggestemd, een film over het leven van een boerenfamilie doorheen de vier seizoenen. En dat is perfect logisch; anders zou er iets veranderd zijn in de cinema. Ik herinner me maar al te goed de ontvangst in 1925 van Eisensteins Staroye i novoye [The General Line]: “Welk belang? We hebben al lang tractors in Frankrijk ...” Ik vraag me zelfs af of de commissie tussen al die spektakelfilms La bataille du rail zou hebben weerhouden zonder het aanzienlijke succes van de film in de zalen, hoewel de film een aantal professionele acteurs bevat die gelukkig authentiek gemaakt zijn door het gebruik van echte spoorwegarbeiders ...

Tegenwoordig wordt een film als ‘spektakel‘ beschouwd als hij op zijn minst de volgende elementen bevat: een handeling over een min of meer gratuit onderwerp, verzonnen en meestal volstrekt saaie dialogen ondanks de kwelling waaraan de scenario- en dialoogschrijvers zich hebben onderworpen, acteurs die voldoende nadrukkelijk spelen om een perfecte illustratie te vormen van wat ze niet voelen, een volledige waaier aan beelden in grijstinten, grauwgrijs, muisgrijs, grijsgrijs, een beeldvoering waardoor we op voorhand al weten dat de ster zich zal omdraaien om precies naast de bocht van de grote tak van een boom in beeld gebracht te worden. Wanneer een film niet al deze eigenschappen bezit, dreigt hij als een simpele ‘documentaire’ weggezet te worden. Dat etiket wou men op Farrebique plakken, de eerste langspeelfilm van Georges Rouquier. De film bevat inderdaad geen professionele acteurs, maar echte boeren, geen verzonnen boeren die voor de spiegel boerenallures geoefend hebben, inclusief de zoektocht naar de juiste maquillage om zich een boerenkleurtje aan te meten. De mise-en-scène van de film is bijzonder delicaat, omdat er niets moeilijkers bestaat dan niet-professionelen te doen spelen door hun op het hart te drukken om vooral niet te ‘spelen’, maar om voor de camera gewoon hun normale dagelijkse handelingen te herhalen. Want deze film is enkel alledaagsheid: geen geavanceerd drama, geen uitzonderlijke stellingnames, geen echte auteursuitspraken. Enkel banaliteit: de geboorte van een kind, de dood van een oude man. We kunnen de film verwijten dat hij niet dezelfde strengheid heeft als de Russische films uit de periode van de Revolutie. Dat waren ook ‘documentaires’, maar dan met Russische boeren en bovendien ten tijde van een machtswisseling. Hier gaat het enkel over Franse boeren – over alle Franse boeren, want deze film geeft een samenvatting – en eerder in de sfeer van het kleine Franse leven. We kunnen er niets aan doen dat ze weinig spreken, dat hun dialectzinnen elliptisch zijn, dat ze enkel suggereren ... Een groot deel van de poëzie die aan deze film ontspruit komt voort uit wat niet gezegd wordt, aan gezichten waarvan het innerlijke leven zich nauwelijks laat raden. Om deze krachttoer tot een goed einde te brengen was er een regisseur nodig die doordrongen was van het boerderijleven en het leven op de velden. Vooraleer Rouquier linotypist werd, bracht hij zijn kindertijd door tussen de boeren en deelde hij met hen dezelfde vaste bezorgdheden, zoals de zon. Hij heeft de constante strijd met de zon meegemaakt, met het vee, met de elementen, met de mens en zijn routines. Hij geniet volop van het contact met de natuur, waaruit hij op elk moment de welwillende en kwaadwillige schoonheid weet te halen, leven of dood. Met zijn herinneringen bekleedt hij zijn film en weeft hij zijn personages, die schitterend worden beschreven, met nauwelijks iets. Het volstaat om een van zijn acteurs een paar seconden te zien om hem helemaal te voelen. Alles is direct. Desalniettemin gaat het wel degelijk om acteurs, want sommigen stellen een personage voor dat ze zelf niet zijn: de buur was de buur niet en hij heeft nooit verhinderd dat de elektriciteit tot aan Farrebique zou lopen. De notaris was een ex-verzekeringsmakelaar. Maar de grootvader is de echte grootvader en de hele familie staat op haar plaats.

Toen Jean Vigo Zéro de conduite maakte – en ik spreek niet alleen over Vigo omdat Rouquier me de opvolger lijkt van wat een van onze meest authentieke regisseurs was, maar omdat Zéro de conduite de kindertijd van Vigo bevat, zoals Farrebique de kindertijd van Rouquier bevat, en ook omdat er eveneens praktisch geen professionele acteurs waren in Zéro de conduite – toen Jean Vigo deze film dus wilde maken, zocht hij acteurs onder alledaagse personages. Toen hij zijn huisbaas tegenkwam, aan wie hij nog verschillende maanden huur moest en die er een opmerking over maakt, zei Vigo hem: “U hebt me hierover al aangesproken, maar ik zie dat we elkaar niet begrijpen; speel mee in mijn film en we staan quitte ...”, en vervolgens kreeg de huisbaas opmerkelijk genoeg de rol van hoofdopzichter.

Vigo mag dan wreed zijn (tegenover de daders; want hij was in zijn kindertijd het slachtoffer van menselijke wreedheid), bij Rouquier, wiens kindertijd weliswaar hard was maar niet gebukt ging onder hetzelfde onderwijs, is het de poëzie die losbarst, die onophoudelijk overheerst en daarbij elk wraakaspect uitwist; de minst flatterende eigenschappen van sommige personages worden steeds getemperd door welwillendheid. Beiden zijn ze echter gezond van hart en geest en verdedigen ze het leven tegen elk scepticisme.

De regie van Farrebique was een kwestie van extreem doorzettingsvermogen, want in 1944 in de Aveyron het ritme van een jaar filmen, midden in het plattelandsniemandsland, zonder benzine, ver van elke ontwikkeling, zonder projectie om de filmresultaten te kennen, met stukjes en beetjes pellicule, was een uitdaging. Er zou een mooi boek geschreven kunnen worden over deze onderneming.

En over de wanhoop van Rouquier, toen hij een automatisch apparaat plaatste om permanent en beeld per beeld de evolutie van een appelboom te filmen en achteraf bleek dat dit de enige appelboom was in de hele boomgaard die dat jaar niet bloeide ...

Er knallen verrassende ellipsen voorbij, zoals de scène van de grootvader die suf is van vermoeidheid tijdens de oogst, die wordt gevolgd door een scène waarin een lichaam naar de boerderij wordt gebracht, dat echter het lichaam blijkt te zijn van een jongere die van de hooiberg is gevallen. Ik ken slechts één gelijkaardige ellips: Hardy vertrouwt Laurel toe dat ze rijk zullen worden en we zien ze een drogisterij buitenkomen met alles wat er nodig is om bier te brouwen; in het volgende beeld gaan ze de gevangenis binnen.

En de lentesequentie: de paarden wrijven hun stomende snuiten tegen elkaar, een stier springt, de man raapt zijn zeis op van de grond terwijl hij naar het meisje boven op de ladder loert, een korenaar groeit, kinderen knuffelen een hond die zoogt, een roos ontluikt terwijl er een schreeuw weerklinkt, een kind wordt geboren. Want de bezorgdheid om de waarheid werd zo ver doorgedreven dat ze zelfs leidde tot een kind, speciaal voor deze film.

We zouden dat allemaal kunnen bestempelen als impressionisme, niettemin is er niets dat minder nagemaakt is. De hele film is trouwens folklore. Wat erin zit, moest erin zitten, omdat het zo gebeurt. De maan is de echte maan, niet de zon achter een rode filter, en dat voel je. De geluiden zijn niet nagemaakt met plaatopnames en onvervalste bruiteurs die zich op de billen kletsen om een paard in galop te imiteren. Zeg niet dat deze precisie nutteloos is ... In het begin van de radio, toen de radio nog TSF heette, onderbrak een vreemde uitzending het uitmuntend nachtelijk orkest omdat een microfoon die naar de bossen was gebracht net het lied van een nachtegaal had weten te onderscheppen; een kwartier lang hoorde men niets, vervolgens plots de wonderbaarlijke roulade en op dat moment voelde men het bos. Uiteraard vonden sommige luisteraars het een slechte grap. Wel, de nachtgeluiden in Farrebique zijn ’s nachts opgenomen en dat is onmiskenbaar zo ...

We hebben films nodig van allerlei slag en ik wil geen kwaad spreken over literaire films, theater- of operettefilms, of over geklets in het algemeen. Maar het is goed dat er af en toe een film uitkomt die cinemaliefhebbers tevreden kan stellen en die de genreverwarring niet nog komt vergroten of het estheticisme waarmee het publiek – dat niet anders wil – wordt ingepakt niet nog komt versterken. Tot op het moment dat we voldoende kunnen vergelijken. Farrebique is geen film zonder toekomst, maar een voortrekker. En we kunnen ons veel andere onderwerpen voorstellen die op een gelijkaardige manier behandeld zouden kunnen worden, in een steeds preciezere stijl en met dramatische of komische interventies als het onderwerp er werkelijk om vraagt. Ik spaar jullie uiteraard de mogelijke kritiek op Farrebique, als groot liefhebber, om te tonen dat we ons vak kennen ... De strijd voor Farrebique is een nieuwe slag om Hernani,1  maar in dit geval zijn het de klassieken die de cinematraditie willen opnemen die verloren is gegaan onder de opeenstapeling van nepjuwelenromantiek en breedsprakerige beelden of onder de mondiale New Yorks-Miamiaanse technische perfecties.

  • 1. De ‘slag om Hernani’ is de naam gegeven aan de controverse uit 1830 rond de tweede voorstelling van het toneelstuk Hernani, een romantisch drama van Victor Hugo. ‘La bataille d’Hernani’ verwijst naar de ophef en het tumult in de zaal. Het toneelstuk bracht bijna een reeks opstanden teweeg tussen de tegenover elkaar staande kampen: classicisten versus romantici, republikeinen versus royalisten, liberalen versus conformisten. In de theaterzaal werd de slag gewonnen door Hugo’s aanhang, maar de pers kraakte het stuk af. Hernani kan beschouwd worden als een belangrijke etappe in de geschiedenis van het Franse theater.

Deze tekst verscheen in Les Etoiles op 24 september 1946. 
Met de vriendelijke toelating van Archives Jean Painlevé.