Screening
Cobra op film
Tue 11 Feb 2020, 20:30
KASKcinema, Ghent
PART OF
Film
  • With an introduction by Griet Bonne
FILM
Lucebert, tijd en afscheid
Lucebert, Time and Farewell
,
,
55’

Personal cinematographic trilogy with which the filmmaker bids farewell to his recently deceased friend and artist-colleague Lucebert. The trilogy comprises three short films: Lucebert, Poet-Painter (1962), A Film for Lucebert (1967), and If You Know Where I Am, Try and Find Me (1994).

 

“Lucebert, het is bekend dat je vanuit overvloed creëert. Maar al hang ik geen theorie van het tekort aan, er duikt toch een merkwaardige samenhang voor me op: de luchtmens die nooit vliegt, de showman die het liefst lekker thuis zit te werken en, niet te vergeten, de kleurenblinde colorist. Zou die zo christelijke gedachte van het tekort voorlopig nog onoverwinnelijk zijn? Zodat je uit het gebrek de overvloed schept en uit de overvloed de synthese, de nooit aflatende tautologie van het zijnde, waarbinnen we allemaal met hetzelfde voetje vóórstaan, het bonte mengsel van al het denkbare dat onmiddellijk verwatert – alleen een peinzend oog blijft achter, met een blik van herkenning.”

Johan van der Keuken1

  • 1. Johan van der Keuken, Bewogen Beelden. Films, foto’s, teksten uit de wereld van een kleine zelfstandige (Breda: De Geus, 2001) 58.
FILM
De werkelijkheid van Karel Appel
The Reality of Karel Appel
,
,
15’

A meditation of the extremes in the world of artist Karel Appel at his studio in Paris.

 

“After the CoBrA period – Appel often emphasises that this period was less important for him than is usually suggested - he began to paint more violently. The emphasis comes to lie more on the physical aspect of painting. In 1961 the cineaste Jan Vrijman recorded Appel’s way of working in The Reality of Karel Appel (De werkelijkheid van Karel Appel) with music by Dizzie Gillespie and Karel Appel himself (‘Musique Barbare’). In order to make this film, a hole was made in a canvas on which he could work. The painter attacks the camera as if it were an empty canvas.”

Frank van der Ploeg1