Ik heb nooit beslist om documentarist te worden…

Ik heb nooit beslist om documentarist te worden, om me voorgoed binnen een bepaald kader te installeren. Ik heb overigens een hekel aan dat woord: documentarist. Het draagt bij aan de afgrenzing van een genre dat voortdurend is geëvolueerd en waarvan iedereen weet hoe poreus het is, hoe variabel de contouren, welke bijna-bloedband het onderhoudt met het genre dat er altijd tegenover wordt geplaatst: fictie. Beelden zijn immers minder getrouw aan de “werkelijkheid” dan aan de intenties van wie ze produceert.

Maar mijn eerste film was toevallig een documentaire (La voix de son maître, 1977) en het maken ervan gaf mij zin om er nog een te draaien, en daarna nog een, enzovoort, tot op de dag van vandaag. In diezelfde periode ontdekte ik ook Wiseman, Perrault, Van der Keuken, Dindo, Kramer en nog enkele anderen, en daarmee een verscheidenheid aan benaderingen, praktijken en stijlen die mijn nieuwsgierigheid alleen maar verder aanwakkerden, evenals het verlangen om me op een terrein te wagen waarvan ik mij de omvang toen allesbehalve kon voorstellen. Zo ben ik op mijn beurt een documentarist geworden, en hoewel ik het woord maar niets vind door de bekrompen, haast intimiderende bijklank ervan, heeft niets mijn honger kunnen stillen, niet de energie die nodig is om een project op gang te brengen, je demonen te overtuigen en te overwinnen, noch de energie die je uit jezelf moet opdiepen om weer recht te krabbelen na een reeks afwijzingen, het onrecht van een mislukking of buitensporig succes, noch de bedreigingen die voortdurend wegen op het bestaan en de verspreiding van de allerpersoonlijkste werken, de uitvluchten van distributeurs, de toenemende verzadiging aan bioscoopreleases, noch de juridische perikelen rond Être et avoir.

Ik ben niet alleen. Vele andere filmmakers delen dezelfde geestdrift. Wat we doen is complex, fragiel en kwetsbaar, maar we zijn taai en onverzettelijk.

*

Voor elke film heb ik nood aan een kader, het vertrekpunt van waaruit ik kan beginnen te bouwen. Dat kader bestaat uit alles wat je samen met degenen die je wil filmen onderneemt om verlangen te doen ontstaan. Uiteraard is dat bij elke film weer anders. De psychiater Jean Oury heeft een mooie uitdrukking, die ik vaak citeer, “het toeval programmeren”. Dat is zo’n beetje waar het voor mij op neerkomt, een film maken. Wanneer de opnames beginnen, ken ik noch het eindpunt, noch de route die ik ga volgen: veel hangt af van wat er onderweg opduikt, tijdens het werken, bij de ontmoetingen. Voor mij kan het proces niet onderscheiden worden van de films zelf; daarom is het voor mij zo belangrijk om zo lang mogelijk, tot op het eind, te kunnen blijven zoeken.

Films zeggen altijd iets anders – en ook andere dingen – dan wat we wilden zeggen, hen wilden laten zeggen, of dachten te hebben gezegd, en misschien is dat maar goed ook. Toen ik La moindre des choses begon te draaien, in de psychiatrische kliniek van La Borde, kon ik met moeite het onderwerp ervan omschrijven. Dat kan ik trouwens nog steeds niet echt. Het is niet zozeer een film over La Borde als wel dankzij La Borde en al diegenen – bewoners, zorgverleners – die bereid waren mee te werken. Ik heb lang getwijfeld om de film te maken… Als je een camera vasthebt, oefen je macht uit over de ander. De hele kwestie is hoe je daar geen misbruik van maakt. Dat ik uiteindelijk toch de knoop heb doorgehakt, was om mijn angst, mijn scrupules en alles wat me tegenhield onder ogen te zien. Wat telt is dus niet zozeer het onderwerp op zich, maar de vragen die de film bij mij zullen oproepen. Politieke, esthetische vragen… vragen over cinema.

*

Ik bereid me niet voor, of toch zo min mogelijk. Ik ben veel te bang om de film al op de rails te zetten nog voordat ik eraan begonnen ben… en zo voorbij te gaan aan wat essentieel is! Als ik er al te veel over weet, heb ik geen zin meer om de film te maken. Ik verkies om dicht bij de dingen te blijven en te vertrekken vanuit een niet-weten. Een film maken vanuit een deskundig standpunt is een benadering die mij volkomen vreemd is. Het voorbeeld van La ville Louvre is vrij verhelderend: er is geen woord uitleg. Maar ik moest op mijn strepen staan: de coproducenten wilden dat ik een commentaar zou schrijven. Voor Le pays des sourds had ik ervoor gekozen om me meteen onder te dompelen in de vreemde wereld van de gebarentaal, zonder tolk of hulp van buitenaf. In het begin was ik de weg kwijt… Ik had geen houvast. Ik had erop gestaan geen specialisten, artsen, opvoeders of psychologen te ontmoeten. Als ik dat wel had gedaan, zouden de doven het gevoel hebben gehad dat ze werden benaderd als “gevallen”, als studieobjecten.

Films moeten hun geheimen bewaren, de vragen open laten. Pas wanneer er schaduwzones of weglatingen zijn, een spel tussen wat wel en niet getoond wordt, tussen wat gezegd en gesuggereerd wordt, een onzichtbaar deel, personages die weerstand bieden, veeleisende vormelijke keuzes, kunnen de toeschouwers – uit het lood en in de war – beginnen nadenken, kan hun verbeelding op gang komen. Wanneer alles glad, vertrouwd, transparant, mak en geruststellend is, zonder hobbels of haperingen, is er geen verhaal, heerst er stilstand. De indruk dat het onverwachte het denken bevordert.

Artistieke vrijheid komt niet uit de lucht vallen. Ik ben altijd van mening geweest dat je ervoor moet vechten, onophoudelijk moet vechten om haar te veroveren, haar steeds opnieuw te heroveren.

Beelden uit La moindre des choses (Nicolas Philibert, 1996) | © Les films d’ici

Deze tekst werd oorspronkelijk gepubliceerd in het kader van de retrospectieve Nicolas Philibert, le regard d’un cinéaste in het Centre Pompidou in Parijs in 2010.

ARTICLE
NL FR EN
In Passage, Sabzian invites film critics, authors, filmmakers and spectators to send a text or fragment on cinema that left a lasting impression.
Pour Passage, Sabzian demande à des critiques de cinéma, auteurs, cinéastes et spectateurs un texte ou un fragment qui les a marqués.
In Passage vraagt Sabzian filmcritici, auteurs, filmmakers en toeschouwers naar een tekst of een fragment dat ooit een blijvende indruk op hen achterliet.
The Prisma section is a series of short reflections on cinema. A Prisma always has the same length – exactly 2000 characters – and is accompanied by one image. It is a short-distance exercise, a miniature text in which one detail or element is refracted into the spectrum of a larger idea or observation.
La rubrique Prisma est une série de courtes réflexions sur le cinéma. Tous les Prisma ont la même longueur – exactement 2000 caractères – et sont accompagnés d'une seule image. Exercices à courte distance, les Prisma consistent en un texte miniature dans lequel un détail ou élément se détache du spectre d'une penséée ou observation plus large.
De Prisma-rubriek is een reeks korte reflecties over cinema. Een Prisma heeft altijd dezelfde lengte – precies 2000 tekens – en wordt begeleid door één beeld. Een Prisma is een oefening op de korte afstand, een miniatuurtekst waarin één detail of element in het spectrum van een grotere gedachte of observatie breekt.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati zei ooit: “Ik wil dat de film begint op het moment dat je de cinemazaal verlaat.” Een film zet zich vast in je bewegingen en je manier van kijken. Na een film van Chaplin betrap je jezelf op klungelige sprongen, na een Rohmer is het altijd zomer en de geest van Chantal Akerman waart onomstotelijk rond in de keuken. In deze rubriek neemt een Sabzian-redactielid een film mee naar buiten en ontwaart kruisverbindingen tussen cinema en leven.