Presentatie van Zéro de conduite
Ik ben een beetje verbaasd hier helemaal alleen op dit podium te staan.
Ik had liever, gezien de geest waarin Zéro de conduite tot stand is gekomen, zoals de anonieme girls1 dat doen, als een vluchtige inleiding op de vertoning van de film een choreografische groet gebracht samen met al mijn medewerkers. Een rondedansje zou, denk ik, alle gestamelde woorden beter hebben vervangen.
Ik dacht er ook aan om enkele leden van de Franse censuur mee te nemen, die uiteindelijk meestal, met hun schaar in de hand, de werkelijke auteurs van een film worden. Maar ik vreesde dat ze tijdens de reis beschadigd zouden raken.
Laat het mij volstaan, door hen te citeren, hulde te brengen aan de grootste bewonderaars van Zéro de conduite.
“Deze film,” hebben ze me gretig toevertrouwd, “mag door geen andere blik dan die van onze mooie ogen worden bezoedeld.”
Wat een charmante exclusiviteit!
Erkent u met mij dat ik ongelijk zou hebben om te klagen en dat ik deze heren hoogstens hun vriendelijke egoïsme en hun goede smaak kan verwijten.
Want u dacht misschien tot nu toe dat de film volledig verboden was om minder eerlijke redenen; onder het voorwendsel, bijvoorbeeld, dat hij een anti-Franse geest zou uitstralen, wat nergens op slaat. Dit heeft in Frankrijk trouwens al verbazing gewekt bij iedereen die de vertoning van de film heeft bijgewoond, en het is nooit officieel bekendgemaakt, aangezien de beslissingen van de Censuur geen rechtvaardiging behoeven. En als ik alles moet vertellen, weet dan dat de voorzitter van deze onafhankelijke Censuur aan een vriend, die hem stiekem kwam bezoeken vanwege dit veto, antwoordde: “Wij hebben een dienstnota ontvangen die ons opdroeg Zéro de conduite te verbieden, nog voordat mijn collega’s en ik de kans hadden gehad de film zelf te zien en onpartijdig te beoordelen.”
Nee, men moet niet geloven wat niet te geloven valt. En ik ben hier om elk misverstand uit de weg te ruimen dat in uw geest zou kunnen ontstaan.
Ik twijfel er dan ook niet aan dat deze film zijn vertoningsvergunning zal krijgen.
Denk er eens over na: de film is volledig verboden. Ik leg de nadruk op het woord volledig.
Zou dit het bewijs zijn van een gebrek aan oordeelsvermogen bij onze censoren, die men toch niet zomaar kan beschuldigen van het onvermogen om uit de beelden van een film op zijn minst enkele meters aan onbeduidende scènes te selecteren die desnoods op een andere manier dan als een bom publiek zouden kunnen worden vertoond?
Zou men moeten toegeven dat deze commissie voor artistieke moraal geen ander doel heeft dan de laatste kapitalisten, die na talloze tegenslagen nog belangstelling tonen voor de in gevaar verkerende filmindustrie, af te schrikken?
Zou men niet al te snel de stap zetten om dit tribunaal ervan te verdenken een of ander commercieel belang of laffe opportunistische politiek te dienen; en zou een voorbeeld deze mening niet bevestigen, namelijk dat van de werken van de grote Russische cineasten, die twee jaar geleden zonder commentaar verboden werden en vandaag opnieuw zijn toegelaten, in exact dezelfde volledige, originele versie?
Zouden wij vergeten dat amper enkele maanden geleden een Sovjetdocumentaire geen vertoningsvergunning kreeg, omdat de jonge Russen die erin verschenen er te glimlachend, goed uitzagen, en zo verschillend van dat vreemde beeld dat men zich vormt van de kinderen in de Sovjet-Unie, achtergelaten door de man met het mes tussen de tanden,2 die overdag volwassenen opeten in de rode hoekjes? Terwijl vandaag alle Pathé-Natan-zalen ons elke week toestaan De Internationale in haar volledige uitvoering te horen.
Nee, ik herhaal het voor u: men moet niet geloven wat niet te geloven valt.
Het zou werkelijk het vertrouwen in het verstand van hooggekwalificeerde ambtenaren, politieagenten, kantoorklerken, mislukte en behoeftige schrijvers – die samen de Areopagus3 vormen van een verouderde en jezuïtische instelling – volledig ondermijnen om zelfs maar even aan te nemen dat deze vreedzame burgers, voortdurend op hun hoede, niet verder kunnen kijken dan het puntje van hun bajonet, niet in staat zijn het driekleurige waas uit hun ogen te trekken en voortdurend een verwijzing naar hun Vaderland, en alleen dat, te vrezen. Alles voor het Vaderland. Dat is wel heel hoogmoedig.
Als sommige scènes van Zéro de conduite ondanks mijn bedoelingen toch satirisch overkomen – enkel doordat ik in deze film geen literatuur of uitvinding heb toegelaten, maar slechts een beetje moeite heb gedaan om herinneringen terug te vinden – dan begrijp ik niet waarom de Franse regering zich bij het zien van deze ongesitueerde beelden zo kwetsbaar zou voelen dat ze spontaan en zo opvallend zou gaan snotteren. Waarom zou men de ene of de andere regering, dit of dat land karikaturaal afbeelden? Behalve één zijn ze allemaal gelijk.
Ik ben niet van plan u mee te voeren naar een wereld die herschapen moet worden, zoals de gidsen van het Cook-bureau toeristen door de tuberculeuze steegjes van arme maar pittoreske wijken leiden.
Het probleem voor mij is helaas veel ernstiger. Mijn zorg is groter en zuiverder.
De kindertijd. Kinderen die op een avond in oktober, na de Eerste Schooldag, worden achtergelaten in een erehof [cour d’honneur] ergens in de Provincie, onder welke vlag dan ook, maar altijd ver van Huis, waar men hoopt op de genegenheid van een moeder, het kameraadschap van een vader, als die nog niet dood is.
En dan overvalt de angst mij. U gaat Zéro de conduite zien, ik zal hem samen met u opnieuw bekijken. Ik heb hem zien groeien. Hoe zwak lijkt hij me! Niet eens herstellend, zoals mijn eigen kind, het is niet langer mijn eigen kindertijd. Tevergeefs sper ik mijn ogen wijd open. Mijn herinnering herkent zichzelf slecht in hem. Is het dan al zo lang geleden? Hoe durfde ik, eenmaal volwassen, helemaal alleen te lopen, zonder mijn speel- en studievrienden, over de paden van de Grand Meaulnes?4 Zonder twijfel vind ik in de treinwagon die de vakantie uitstrooit de twee vrienden van de Eerste Schooldag in oktober terug. Natuurlijk staat hij daar, met zijn 30 identieke bedden, het slaapzaaltje van mijn acht jaren internaat, en ik zie ook Huguet, van wie we zoveel hielden, en zijn collega, de opzichter Pète-Sec, en die zwijgzame hoofdopzichter met zijn crêpezolen als een spook.5 Zal de kleine slaapwandelaar, bij het licht van de gaslamp die op waakstand blijft branden, vanavond in mijn droom nog steeds rondspoken? En misschien zie ik hem weer aan het voeteneind van mijn bed, zoals hij daar stond op de avond vóór die dag waarop de Spaanse griep hem in 1919 wegnam.
De kleine slaapwandelaar wiens kist naar de speelplaats werd gedragen voor de zegen van de priester, die met zijn wijwaterkwast de duivel wegjoeg waar wij zo bang voor waren.
Ja, ik weet het, de vrienden Caussat, Bruel, Colin, de zoon van de kokkin, en Tabard, die we “het meisje” noemden, en die door de administratie werd bespioneerd en getreiterd, terwijl hij juist een grote broer nodig had, aangezien Mama niet van hem hield.
Ook aanwezig op het appel: het kleine meisje van de zeldzame zondagse uitjes. Herinner je je nog hoe ik ervan hield je op de piano te zien klimmen en de bokaal met goudvissen te hangen aan de ijzerdraad die we samen hadden gespannen, terwijl onze handen elkaar even raakten?
Omdat ik naar je mollige, grote babydijen keek, bedekte je mijn ogen met je zakdoek, die heerlijk naar de lavendel van je moeder rook. En dan, zachtjes zoals men dat bij zieken doet, nam je dit pleistertje van de feestdagen weg, en keken we samen zwijgend naar de bokaal met goudvissen.
Diezelfde avond keerde ik terug naar het College, en voor hoeveel maanden!
Je moest zo ontzettend braaf zijn om op Zondag een paar uur naar buiten te mogen.
Alles wordt weergegeven: de eetzaal met de bonen, het klaslokaal en de studiezaal, waar een van ons op een dag hardop en twee keer zei wat we allemaal dachten.
Ik zal dus opnieuw getuige zijn van de voorstelling van het complot dat ons zoveel moeite kostte, van de nacht op zolder, van het kabaal dat het was, van de kruisiging van Pète-Sec zoals die werkelijk plaatsvond, van het feest van de officiële autoriteiten dat wij op die toepasselijk genaamde dag van Sint-Barbara verstoorden.

Zal ik weer vertrekken van de zolder, ons enige domein, over de daken naar een betere hemel?
Eh! Nee, dat is het niet! Het is mislukt. En tot slot wil ik u zeggen dat ik mijzelf schuldig verklaar voor u.
Ik draag de volle verantwoordelijkheid. Zeker, ik lijd omdat ik u geen betere film kan bieden over een project dat mijn hele hart omvat.
Maar ik zal geen excuses inroepen.
Geen enkele regisseur heeft het recht, als hij zijn film imperfect acht, om zich aan het publiek te presenteren om de evidentie van zijn gedeeltelijke of volledige mislukking, de bevestiging van zijn machteloosheid tegenover wie of wat dan ook, af te wijzen.
De vrijheid! “U bent niet vrij geweest om uw idee uit te voeren zoals u het voelde.”
Waarom dan dit beroep kiezen?
Per definitie is een regisseur, in de huidige staat van de burgerlijke wereld, een vreemd lichaam dat in het apparaat van financiële of andere constructies wordt gegooid waaraan de filmmarkt zich schuldig maakt. Een filmbedrijf, hoe paradoxaal dat ook mag lijken, zou om winst te maken liefst nooit een enkele film realiseren. Grote productiehuizen nemen regisseurs voor een heel jaar in dienst en smeken hen het hele jaar door te gaan vissen op het platteland.
Wanneer er toevallig een film geëxploiteerd moet worden, wordt hij aan de handel overgeleverd als voedselwaren van twijfelachtige kwaliteit. Fraude is onvermijdelijk; de witte metalen dozen die de films bevatten, zijn verrassingsdozen: u kunt daar net zo goed een echte geluidsfilm [bandes 100 % parlantes] vinden als klankrijke bonen.
Een kwestie van geluk. Het publiek kent de rol van het toeval in de cinema maar al te goed. Het kiest zijn voorstellingen niet meer: men gaat op vaste dagen naar de bioscoop, en niet altijd om de film te zien.
Dat wisten we vanaf het begin. Als dat ons niet bevalt, kunnen we net zo goed noedels gaan verkopen.
Geen valse excuses roepen: “De censuur heeft mijn film verminkt; kijk eens, wat een schande!” Op 4 oktober 1933 kan men op de laatste pagina van de Franse kranten, in een klein hoekje, een schaamteloos berichtje lezen dat door enkele officiële drukfouten opzettelijk onleesbaar is gemaakt: “Ten gevolge van een overeenkomst tussen de heer de Monzie en de heer Camille Chautemps wordt de dienst van de filmcensuur overgeheveld van het Ministerie van Nationaal Onderwijs naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken.”
Bravo! Dat zal ons misschien ooit brengen tot de eerlijkheid van een cynische maar loyale Staatscensuur. Dat elke filmvoorvechter zich bij de gerechtelijke politie moet melden, waar zijn vingerafdrukken van elke cinematografische misdaad worden geregistreerd en waar zijn foto wordt genomen vanuit de hoeken die voor kleine boeven zijn gereserveerd, en waar hij desnoods zelfs mag rusten in de Kamer van spontane bekentenissen.
We leren hier niets nieuws.
En schreeuw niet zo hard: “Die productiedirecteur is dom; hij zei: vooral geen documentaire!”
We weten heus wel dat zo’n directeur bij elk bezoek aan de studio’s een vlag doet hijsen.
En daarna!!! Betaalt u aan de kassa? Begint u een andere film? Ja? Mislukt die dan ook, zoals de vorige? Ja.
Wees dan stil en beschouw uzelf als enige verantwoordelijk.
Dat is wat ik vandaag zou willen dat u onthoudt van dit te uitgebreide gebabbel. De schuldige is hier, zijn medeplichtigen staan achter hem. Niemand en niets heeft ons werk belemmerd. Maar de film sleept zich voort langs zijn 1200 meter aan zware gebreken die u zult beoordelen. Ik lijd daar een beetje onder. Ik bied daar veel excuses voor aan, zoals voor een slechte grap die je aan vrienden vertelt.
- 1Verwijzend naar de groep jonge vrouwelijke dansers die in cabarets en revues gestileerde, gesynchroniseerde dansjes uitvoerden. [Noot van de vertaler]
- 2In de context van westerse en anticommunistische propaganda na de Russische Revolutie en tijdens het interbellum werd dit soort beeldtaal vaak gebruikt om communisten en bolsjewieken als buitensporig gewelddadig en “onmenselijk” af te schilderen. Zie ook deze politieke spotprent uit de satirische weekkrant Le Rire (Parijs, 27 juli 1935).
- 3De Areopagus was oorspronkelijk een raad van oudere aristocraten in het oude Athene die toezicht hield op rechtspraak en wetgeving.
- 4Le Grand Meaulnes is een Franse roman van Alain-Fournier (1913) die de idealistische, avontuurlijke jeugd verbeeldt. In deze passage verwijst de roman naar het verlies van jeugdige onschuld en de nostalgische herinnering aan vriendschap en ontdekkingen die men als volwassene niet meer kan herbeleven. [noot van de vertaler]
- 5Huguet en Pète-Sec zijn ook namen van klastoezichthouders in Zéro de conduite, vertolkt door Jean Dasté en Robert le Flon. [noot van de vertaler]
Beelden uit Zéro de conduite: Jeunes diables au collège (Jean Vigo, 1933)
Speech uitgesproken door Jean Vigo in de Club de l’Écran van André Thirifays, Brussel, 17 oktober 1933, ter gelegenheid van de eerste vertoning van de film in België.

