Zeven lama’s aangekomen
Frankfurter Zeitung, 4 april
Er zijn zeven lama’s aangekomen in Berlijn. Het is moeilijk om geen medelijden met deze Himalayamonniken te hebben. Was het nodig voor hen om naar Europa te reizen, in hotels te verblijven, op schemerig verlichte podia op te treden en hun eredienst te houden voor een publiek dat ongetwijfeld liever zeven Himalayagirls had gezien? Ze woonden, zoals hun “kapitein Noel” liet weten (de man die hen op zijn Europese geweten heeft), in een rotsspleet, kastijdden zich, zeiden gebeden en wasten zich nooit.1 Nu rijden ze in auto’s, gebruiken stromend water, laten zich fotograferen en trotseren journalisten. Elke beroemdheid die met dit Europese comfort in aanraking kwam, weet hoeveel aangenamer het lamabestaan in een rotsspleet, hoeveel makkelijker een zelfgekozen kastijding is dan een waar journalisten je toe dwingen. Hoeveel hoogstaander is een tweespraak met boze geesten niet vergeleken met een dialoog met vertegenwoordigers van de publieke opinie, die geen genoegen nemen met informatie maar alle thema’s aanroeren om “goed geïnformeerd” verslag uit te brengen en geen enkele lezer te laten twijfelen over het feit dat zij op die plek zijn geweest waar anderen geen toegang toe hebben. Als ik een heilige lama was, bleef ik in mijn eigen land, waar ik de boze geesten nog met succes zou kunnen bezweren in plaats van naar het buitenland te trekken om ze daar te moeten ontvangen…
Dit zou ik persoonlijk tegen de lama’s willen zeggen. Maar ze verstaan me niet. Ze logeren in het hotel waar ook de dichteres Else Lasker-Schüler verblijft, een hotel dat dus is voorbestemd om zeven lama’s onderdak te bieden.2
Ze kwamen ’s morgens aan en werden bij het station al opgewacht door de camera’s en notitieboekjes van de Europese cultuur. Het zijn zeven grote, mooie bruine Mongoolse man- nen, majesteitelijk en vreemd, hun stappen zijn vederlicht, er gaat een rust van uit die geen enkele Europese rubberzool teweeg kan brengen. De pers verzamelde zich in het hotel, een journalist nam een warm voorwerp in de hand dat een lama van hem afpakte, met zoveel minachting in zijn blik dat je zou kunnen denken dat de priester ooit een artikel van deze journalist las.3 ’s Middags moesten de lama’s naar de repetitie in het theater. Ze gingen zitten en hielden hun eredienst, terwijl het Himalaya-decor belicht werd, kartonnen wolkjes langs defileerden en de lichtman het onheilspellende rood deed ontstaan dat ’s avonds voor twee mark vijftig de toeschouwers in vervoering zou brengen. Op hetzelfde moment arriveerde er een fotograaf die de lama’s “arrangeerde”. Ze lieten alles met zich gebeuren, hoewel ze, zonder Duits te hebben geleerd, ongetwijfeld ieder stom woord begrepen dat die lui lieten vallen.
’s Avonds, twee keer achter elkaar, om zeven en om negen, treden de lama’s op. Het podium is donker, kartonnen wolkjes drijven voorbij, de hoogste berg ter wereld blaast een ijskoude wind de zaal in en de schijnwerpers hebben hun handen vol. Twee lama’s met enorme trompetten laten doffe tonen weerklinken, een duister gehuil van sombere geesten, twee andere blazen op hoge, schelle trompetten die van menselijke botten zijn gemaakt. Eén lama speelt op een met mensenhuid bespannen trommel, twee andere dansen op de voorgrond heilige dansen. Vervolgens zeggen ze samen een korte, monotone litanie op, indringend en onvergetelijk. Dan pakken ze hun instrumenten weer op, het doek gaat open en de film begint. Die draagt de titel Naar de top van de wereld en toont het lot van de derde Mount-Everest-expeditie.4 Het is een grandioze film. Een film over een wereld van goden en ijs. De mensen die je hier ziet hebben prachtige gezichten vol runen en tekens, gezichten zorgvuldig beschreven als oude manuscripten. Twee deelnemers aan de expeditie verdwijnen voor altijd in de ijle hoogten, ze krijgen een groot en majestueus grafmonument. De berg blijft onbedwongen, hij richt elke mens die de strijd met hem aangaat te gronde, de nevels der eeuwigheid liggen over hem heen, worden uit hem geboren, hij blaast ijs en wolken uit miljoenen muilen, vraatzuchtig en heilig, dodelijk en imposant, de hoogste bergtop ter wereld.
Aan het eind vergeet je je ergernis over de lama-hype bij de Europeanen, en de eerbied die je voelt voor de berg wordt eerbied voor de menselijke prestatie en voor dit tijdperk, waarin lama’s in auto’s kunnen rijden en optreden in Berlijn aan de Nollendorfplatz. Wat is dit toch een geweldig tijdperk, met weliswaar een paar schoonheidsfoutjes maar een enorme kracht, die het verre verenigt, de berg naar de profeet en beiden naar de bioscoop laat komen – en het heeft geen zin ons daartegen te verzetten. We zullen deze tijd moeten aanvaarden en het voor haar opnemen. Wij, haar zoons, journalisten, fotografen, automobilisten, vliegtuigpassagiers en lama’s zijn broeders.
Van de Nollendorfplatz naar het Tibetaanse hooggebergte is minder dan een kattensprong, namelijk een mensensprong…
- 1
Om zijn film over de Mount Everest te promoten bracht de Britse alpinist en cineast John B.L. Noel (1890-1989) een groep Tibetaanse monniken naar Europa om voor de filmvertoningen op te treden. Roth was niet de enige die hierbij kritische bedenkingen had: de publiciteitscampagne veroorzaakte zelfs een diplomatiek incident tussen Groot-Brittannië en Tibet, de zogenaamde “Affair of the Dancing Lamas”.
- 2
Else Lasker-Schüler (1869-1945) was een expressionistische dichteres die in haar teksten en beelden werelden ontwierp vol symbolen, dieren, gestalten en kleuren, waarin ze zichzelf verbeeldde als “Prinz Jussuf von Theben”. Ze schiep een identiteit voor zichzelf voorbij de sociale conventies.
- 3
Roth bedoelt wellicht de flitslamp, die sterk verhit kon raken na het afgaan.
- 4
Het betreft de Britse film The Epic of Everest (1924) van John B.L. Noel, die het relaas brengt van de fatale Himalaya-expeditie van alpinisten George Mallory en Andrew Irvine. In Duitsland werd de film uitgebracht onder de titel Zum Gipfel der Welt.
Beeld uit The Epic of Everest (J.B.L. Noel, 1924)
Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het Duits in de Frankfurter Zeitung (8 januari 1925). De Nederlandse vertaling door Els Snick verscheen in Steven Jacobs en Els Snick, red., Joseph Roth, Schijnwereld. Filmkritieken 1919-1935 (Gent: Borgeroff & Lamberigts, 2026). Dit boek wordt uitgelicht in de zomereditie van onze New Book Releases.
Met dank aan Steven Jacobs en Els Snick.

