Gent, een filmstad
Een rondetafelgesprek met Sofie Mercier, Lennart Soberon, Pieter-Paul Mortier, Tim Maerschand en Ruben Demasure
In 2026 bevindt het Gentse filmlandschap zich op een kantelpunt. Met de sluiting van Studio Skoop eind 2025 dreigde de stad haar oudste arthousecinema te verliezen. Ook cinema Sphinx, de andere historische arthousecinema, staat voor een langdurige renovatie in 2027, nadat het gebouw in 2023 werd aangekocht door ondernemers Bruno Lowagie en Ingeborg Willaert om de toekomst van de cinema te verzekeren. Tegelijk groeit de druk op kleinere initiatieven en alternatieve vertoningsplekken, die steeds vaker moeten uitwijken naar tijdelijke of gedeelde infrastructuur. Die kwetsbaarheid staat niet op zichzelf. Uit een recente studie naar filmexploitatie in Vlaanderen (VAF, 2024) blijkt dat vertoners al langer wijzen op een structureel gebrek aan infrastructuur, op beperkte beleidsaandacht voor filmvertoning en op de nood aan een sterker lokaal engagement. Het belang van stabiele, gedeelde infrastructuur en van samenwerking tussen publieke en private spelers wordt daarbij herhaaldelijk benadrukt als voorwaarde voor een duurzaam filmklimaat.1
Gent behoort tot de vroegste filmsteden van België: al in 1896 vond er een van de eerste publieke filmvertoningen in Vlaanderen plaats. In de twintigste eeuw groeide de stad uit tot een dicht netwerk van bioscopen, van wijkzalen tot monumentale filmpaleizen, met iconische plekken als de Sphinx (oorspronkelijk de Patria en later Calypso), maar ook de Rio, de Rex, het Coliseum en de Eldorado, om er maar enkele te noemen. Later kreeg die filmcultuur een nieuwe impuls met Studio Skoop, pionier van de arthousecinema en ontmoetingsplek voor een cinefiele generatie. Vanuit die context ontstond in 1974 het Internationaal Filmgebeuren van Gent, dat uitgroeide tot het huidige Film Fest Gent.
Dit gesprek vond plaats vóór de bekendmaking dat distributeur en bioscoopuitbater Lumière, met steun van de stad Gent en een investeerder, Studio Skoop alsnog zou overnemen en deze zomer opnieuw zal openen. Die doorstart betekent een belangrijke opluchting voor het Gentse filmleven, maar verandert niets aan de bredere vragen van vandaag: hoe duurzaam is het huidige model, hoe wordt ruimte verdeeld, en welke vormen van infrastructuur zijn nodig om Gent als filmstad te blijven dragen? Parallel lopen er plannen rond de herbestemming van Cinema Rex, een voormalige bioscoop aan het Sint-Pietersstation die de stad in 2023 aankocht. Aanvankelijk werd gedacht aan een “Huis van de Cinema”: een plek die vertoning, educatie en samenwerking zou bundelen en Gent als filmstad verder op de kaart zou zetten. Na de redding van Studio Skoop is die invulling minder duidelijk geworden. De stad onderzoekt momenteel verschillende scenario’s, waarbij ook samenwerking met bestaande spelers en organisaties wordt overwogen.
Tegen deze achtergrond ging Sabzian in gesprek met vijf stemmen uit het Gentse filmlandschap. Sofie Mercier is medecoördinator bij Cinema Sphinx, een van de twee klassieke arthousebioscopen in de stad, en betrokken bij de organisatie van het PinX Festival. Lennart Soberon is medecoördinator van KASKcinema, de filmwerking verbonden aan KASK & Conservatorium, en actief binnen verschillende cinefiele initiatieven. Pieter-Paul Mortier is medeoprichter en artistiek en zakelijk directeur van Courtisane, een platform voor film en audiovisuele kunst dat jaarlijks het Courtisane Festival organiseert. Tim Maerschand is betrokken bij Ciné Rio, een collectieve cinema in een voormalige volkscinema in de Brugse Poort, verbonden aan de werking van De Koer. Daarnaast maakt hij deel uit van de Gentse filmcollectieven Kuleshov, een wekelijks radioprogramma op Urgent.fm, en Kuru, een horror- en cultcollectief. Ruben Demasure is coördinator van Art Cinema OFFoff, een filmplatform binnen Kunsthal Gent dat zich richt op alternatieve en artistieke filmpraktijken.
*
Tillo Huygelen: Gent heeft een rijk filmlandschap, met veel organisaties die op verschillende manieren goed samenwerken. Tegelijk lijkt er, zeker op het vlak van infrastructuur en fysieke cinema’s, een probleem te zijn ontstaan. Jullie werken elk vanuit heel verschillende posities: in het centrum van de stad, als buurtcinema, in een schoolcontext, als festival. Hoe positioneren jullie je vandaag binnen dit sterk veranderende landschap? En breder geformuleerd: wat staat er op het spel voor Gent als filmstad, als ecosysteem?
Sofie Mercier: Er is inderdaad veel gaande, en dat betekent dat er ook veel verschuift. Dat moet altijd met de nodige zorg gebeuren. Er zullen minder schermen zijn door de sluiting van Studio Skoop. Sphinx start volgend jaar ook met verbouwingen, dus dat betekent ook een tijdelijke sluiting. Maar het is zeker een interessant moment. Zo probeer ik het toch te benaderen: welke kansen biedt dit? Het stadsbestuur is nu ten minste alert voor wat er gaande is en ik heb de indruk dat het op de nieuwe situatie wil inspelen. Dit moment van schaarste daagt ons uit om met een andere blik naar de stad te kijken.
Lennart Soberon: Ja, het voelt alsof we op een kruispunt aanbeland zijn. Voorheen was er niet echt een beleid of toch geen interesse om er een uit te tekenen. Door de opeenvolging van kleine crisissen, de besparingen bij Stad Gent, de Skoop die sluit, en ook nijpende financiën bij kleinere organisaties, is er nu ten minste een nieuw debat op gang gekomen. Dat boeit me. De landschapstekening die de Stad Gent nu laat opstellen is ook een positief verhaal. Welke plekken komen bovendrijven en worden er effectief oplossingen gevonden?
Wat kan er dan uit zo’n landschapstekening komen voor jullie?
Mercier: Voor Sphinx is dat heel specifiek en ook anders dan voor de anderen hier aan tafel. In Vlaanderen hebben we nu een heel versnipperd model. Je hebt arthouses binnen kunstinstellingen, zoals Buda in Kortrijk. Je hebt nieuwere arthouses binnen een vzw-structuur, zoals Cinema ZED in Hasselt en de toekomstige cinema FAAAR in Turnhout, en ten slotte heb je nog altijd de commerciële arthouses waar Lumière deel van uitmaakt, zoals ook Sphinx en tot voor kort Skoop.
De subsidies dalen overal en er wordt bespaard op cultuur en andere sectoren, dus we moeten breder durven kijken naar hoe een culturele organisatie kan werken. Dat brengt risico’s mee, zoals een grotere blootstelling aan de markt, maar het is wel de realiteit. De overheid kan daarin een belangrijke rol spelen door culturele organisaties te beschermen en te ondersteunen, ongeacht hun zakelijke structuur. Dat vraagt om een helder en doordacht beleid, waarin erkend wordt welke organisaties een maatschappelijke functie vervullen, en niet louter een economische.
Soberon: Voor ons als kleine organisatie is dat dubbel. We werken al langer in precaire omstandigheden. We doen veel met weinig middelen, met versnipperde inkomsten: een beetje van het KASK, een beetje van de stad, een beetje van het VAF. Zodra een van die drie bronnen wankelt, komt meteen de hele werking onder druk te staan. Een andere inkomstenbron is verhuur. We hebben Film Plateau, dat eigenlijk binnen UGent huist, maar ook daar wordt bespaard. Als Film Plateau zou wegvallen, en daarover lopen al een tijd gesprekken, komt onze werking meteen onder druk te staan. Er is nooit echt zekerheid over het voortbestaan van je werking. Ik denk dat we vooral behoefte hebben aan erkenning: het gevoel dat er geluisterd wordt naar onze bezorgdheden en dat de noden van onze organisatie worden meegenomen in een breder geheel.
Wat denken jullie daarover?
Tim Maerschand: Er moet inderdaad breder gekeken worden. Dat is ook de boodschap die het Gents Kunstenoverleg uitdraagt. Organisaties kunnen nog meer naar elkaar toegroeien, ook buiten de cinemazalen. Op de laatste bijeenkomst werd bijvoorbeeld het idee geopperd om een platform op te starten om te inventariseren wie welke ruimtes heeft en op welke manier die opengesteld kunnen worden voor andere organisaties. Dat biedt een kans om nog meer buiten de muren te breken, los van wat er op stedelijk niveau beslist wordt. Anderzijds is het ook niet de meest duurzame oplossing. Japan Square Festival, bijvoorbeeld, wordt nu opgevangen door drie locaties in Gent omdat de vorige locatie wegviel.
Mercier: Ik moet ook denken aan wat we samen in De Tuin van Heden doen, of vroeger in Theresia hebben gedaan.2 Dat zijn mooie manieren om in Gent te verkennen welke organisaties er allemaal zijn, wie kan samenwerken, en welke nieuwe kleinschalige initiatieven er ontstaan. Zo creëer je een waardevolle dynamiek.
Maar wat je zegt over duurzaamheid is terecht. Je kunt wel met meerdere spelers op meerdere locaties experimenteren, maar dat zorgt voor een productionele en mentale last. Als je continuïteit hebt en een vaste festivallocatie, dan kan je comfortabeler werken. Kleine organisaties dwingen om telkens opnieuw ergens tijdelijk iets op te bouwen, vraagt veel inspanning.
Soberon: Het ecosysteem steunt nu vooral op het werk van passionele cinefielen. Er zijn organisaties die financieel gesteund worden, maar de meerderheid bestaat uit mensen die dit puur uit liefde voor Gent, cinema en de sector doen.
Ruben Demasure: Na al die jaren zou het ook mooi zijn als de stad zou zeggen: jullie hebben goed werk geleverd, jullie zijn echt een uithangbord voor film in Gent. Het is waardevol om het verhaal “Gent filmstad” mee te ondersteunen en meer samen te werken, maar het mag er niet toe leiden dat we ons neerleggen bij de situatie, dat we ons maar moeten zien te behelpen als er geen middelen meer bij komen.
Pieter-Paul Mortier: Er komen nu toevallig ook een paar dingen samen. Er is een generatiewissel. Kan je dat als stad voorzien, daarop anticiperen? Historisch gezien is het voor arthousebioscopen altijd moeilijk geweest om steun te krijgen. Is dat verwaarlozing? Misschien. Maar de stad verandert ook. De waarde van gebouwen verandert. De mensen veranderen. Ik vond het mooi wat hier gezegd werd over passionele cinefielen. Misschien werken we daarom ook zo graag samen: niet alleen omdat we ideeën delen als organisaties, maar omdat we die cinefilie met elkaar delen. Dat maakt het soms makkelijker. En een factor die echt niet te onderschatten is, is vastgoed.
Soberon: Zeker.
Mortier: Wat nu aan de gang is, is daar toch tot op zekere hoogte toe te herleiden. Gent is niet meer wat het twintig jaar geleden was op het vlak van vastgoed.
Soberon: Nee, inderdaad. Maar de ruimtes zijn er wel. Er is theater- en concertinfrastructuur. Als verschillende organisaties in een jaar telkens dezelfde techniek op- en afbouwen op verschillende plekken, dan is dat een enorme verspilling van middelen. Daar ligt volgens mij ook een rol voor beleid: pop-upstructuren inrichten, zorgen voor een minimum aan techniek in veel ruimtes, en huizen buiten de filmsector stimuleren om samen te werken.
Mercier: Ja, de aankoop van de Rex is op dat vlak op een foute manier verlopen, zonder dialoog met de sector. Dat een stad investeert in infrastructuur voor cinema en filmvertoning is op zich geen slechte zet. Als je kijkt naar de rest van de cultuursector, zie je dat de infrastructuur van musea en podia ook vaak eigendom van de stad, of in erfpacht is. Maar dat moet deel worden van een grotere denkoefening waarin de situatie van meerdere organisaties wordt opgenomen.
Soberon: Ik vind het goed dat er geïnvesteerd wordt, maar ook hoe over zoiets wordt gepraat is belangrijk.
Cinema Rex kreeg de enigszins provocatieve titel “Huis van de cinema”. Misschien zet dat de zaken op scherp en brengt het een gesprek op gang over wat cinema is en welke plaats die inneemt in de stad. Voor mij schept die titel alvast een bepaald verwachtingspatroon, want hij kan veel betekenen. Welke visie hangt daar voor jullie aan vast?
Mercier: Ik vind dat een problematische titel omdat hij insinueert dat er één huis van de cinema is. Terwijl je net de diversiteit van je landschap wil behouden en ondersteunen. Ik hou dus niet zo van die term. Ik zou het fijner vinden als er meerdere huizen van cinema kunnen bestaan, elk met een eigen identiteit. Ik kan me voorstellen dat een plek waar Film Fest Gent een vaste uitvalsbasis heeft een heel andere werking ontwikkelt dan een organisatie die vertrekt vanuit kleinschalig experiment. Voor mij is het ene niet meer of minder een “huis van de cinema” dan het andere. Ik vind de term nogal prestigieus. Dat mag bestaan, maar ik denk niet dat alles daarin moet passen, omdat je dan te eng gaat kijken naar wat cinema kan zijn.
Mortier: Het Huis van de cinema is een verhaal geweest met verschillende narratieven. Het vertrok vanuit Film Fest Gent en is daarna opgepikt door de vorige schepen van Cultuur, met een specifieke lezing. Maar er zijn wel veel verschillende perspectieven geweest. Op een bepaald moment is er vanuit de stad gezegd dat zo’n Huis van de cinema niet vanuit één organisatie mocht komen. Dat het breder gedragen moest zijn. Mijn interpretatie is dat zo’n huis een thuis zou kunnen zijn voor de huislozen: de spelers die geen eigen infrastructuur hebben. Gelukkig kunnen veel van die huislozen nu ook terecht bij Lennart, Sofie en andere mensen die wel een plek hebben. Ik heb altijd veel bewondering gehad voor het Minard-model in Gent, ook al komt dat nu ook onder druk te staan. Bij dit model is het idee dat de stad basisinfrastructuur voorziet, met een kleine technische ploeg, maar geen eigen programmatie. Zo kunnen theatermakers, stand-upcomedians, muzikanten en filmorganisaties zonder huis ergens voor een schappelijke prijs terecht, dat vind ik heel sterk.
Mercier: Ja, zeker akkoord.
Soberon: Maar dan blijft de vraag: welke organisatie deelt de sleutels uit van dat huis? Wie beheert het? Dat was ook een pijnpunt in de discussie.
Mortier: Dat is net het verschil. In het Minard-model heeft degene met de sleutel geen programmatorische intenties. Dat is cruciaal. Die heeft er geen belang bij om het in een bepaalde richting te duwen. Daar kan het ene moment volkstheater staan en de dag erna iets totaal anders.
Soberon: Ik hoop ook dat KASKcinema dat een beetje is. Wij kunnen in de ene week Chris Marker tonen en in de andere week Mamma Mia!, en dat hoeft niet schizofreen te zijn. In die zin geloof ik wel in het verhaal van een huis van de cinema. Toen het Huis van de Cinema er ging komen, draaide Studio Skoop nog. Dan was de vraag: wordt dat een reguliere vertoner of eerder een sociaal-culturele vertoner? Wordt het een model KASKcinema of een model Sphinx? Vanwaar komen de subsidies? Met welke partners werkt men samen? Zijn dat kleinere partners of organisaties die al middelen hebben? Dat zijn essentiële vragen. En ik denk dat die invulling vanuit het veld moet komen. Vandaar ook mijn optimisme over de landschapstekening. Pas wanneer de noden van het veld duidelijk zijn, kunnen ze worden aangepakt door nieuwe vertoningsplekken te ontwikkelen.
Maerschand: Ik wil nog een ander voorbeeld geven van de Minard. Daar is het Made in China Festival begonnen, zeven of acht jaar geleden. Dat festival heeft er voor het eerst films vertoond. Het jaar nadien is het doorgestroomd naar Sphinx. Nu is het echt een vaste waarde. Zonder Minard was die kiem er misschien niet geweest. In de huidige omstandigheden zouden de initiatiefnemers, als ze zouden aankloppen bij Sphinx, KASK of Rio, misschien te horen krijgen: sorry, we hebben simpelweg geen plaats of middelen om meer vertoningen te ondersteunen. Dat is jammer, want zo gaan er kansen verloren.
Mercier: Er is echt onvoldoende ruimte. Daarom blijf ik het herhalen: naast Sphinx, Skoop, KASKcinema, OFFoff, Ciné Rio, enzovoort, geloof ik echt dat er in Gent ruimte is voor een extra plek. Ik denk echt dat de stad dat aankan en er zelfs nood aan heeft. Al is het maar om nieuwe initiatieven kansen te geven. Nu is alles zo compact geworden.
Demasure: Het beleid moedigt dat ook aan: projecten die uitgroeien tot een vaste waarde, worden doorgeschoven naar structurele ondersteuning, zodat via projectwerking nieuwe initiatieven kunnen ontstaan. Maar dan moet er wel plekken gecreëerd worden waar nieuwe initiatiefnemers kunnen starten.
Soberon: Ook geografische spreiding speelt mee. Ciné Rio is interessant omdat het echt een wijkcinema is. Dat geeft een heel andere werking dan Skoop en Sphinx, die centrumgericht zijn. KASKcinema ligt aan de Gentse ring, waar weinig buurtgevoel is. Ik vind het wel interessant om te denken aan een wijkgericht pop-upmodel, waarbij een wijk haar eigen vertoonplek heeft, waar buurtbewoners mee creëren. Wat Rio gedaan heeft voor de buurt is daarin een goed voorbeeld.
Mercier: We hebben onlangs met het team enkele wandelingen gemaakt langs plekken waar vroeger cinema’s zaten, onder meer in de binnenstad, waar nu grote winkels zitten, en in de Brugse Poort. Dan denk ik: het zou wel mooi zijn als we binnen vijftien jaar opnieuw verschillende cinema’s in verschillende wijken hebben.
Mortier: Bij ons ligt de uitdaging met een festival als Courtisane natuurlijk een beetje anders. Ik vind dat idee van de wijken fantastisch en heel nodig, maar ons perspectief is anders omdat wij niet lokaal werken. Wij zijn in de eerste plaats bovenlokaal, zelfs internationaal bezig. Voor ons is de bereikbaarheid tussen locaties cruciaal. We hebben misschien niet zoveel publiek dat gewoon naar een film komt, maar wel veel mensen die naar het festival komen. Die willen tussen twee programma’s iets kunnen eten en op tijd op de volgende plek raken. En vooral: je wil dat de mensen uit je publiek elkaar makkelijk kunnen vinden. Een festival is toch een tijdelijke community. Dat is voor ons essentieel.
In hoeverre zijn jullie bang voor de komst van een grote speler als Lumière, of een andere partij die tegelijk distributeur is en zich in de stad vestigt?
Soberon: Ik zou dat vooral een gemiste kans vinden. Op zich is het goed dat de zalen van Skoop benut worden en dat het distributielandschap daardoor verbreedt. Maar Gent is echt iets unieks. Ik wil daar niet chauvinistisch in zijn, maar als je kijkt naar wat hier op een doordeweekse dag draait, dat is zo divers. De films die in Rio of OFFoff spelen bijvoorbeeld. Ik denk dat we elkaar hebben opgetild en daarbij de grenzen verleggen van wat een filmvertoning is. Ik zou het jammer vinden als dat door veilige keuzes zou verschralen.
Mortier: Dat is inderdaad spannend. Hoeveel steden hebben een experimentele cinema? Echt niet veel. We hebben een zaal met een zeer diverse programmatie die aan een kunsthogeschool gelinkt is. Er is zelfs een radioprogramma met onbetaalde reporters die beter zijn dan professionele!
Soberon: Er is een filmrestaurant [Ciné Mangiare]!
Mortier: We hebben een groot publieksfestival, een kleiner experimenteel festival. Twee arthousebioscopen was tot voor kort ook vrij uniek in Vlaanderen. Als de “nieuwe Skoop” een commerciële invulling krijgt, dan wordt het een louter economisch project: de huurinkomsten regelen, de kalender laten kloppen, ... Terwijl veel van wat nu in Gent gebeurt net voortkomt uit samenwerking.
Soberon: Organisaties “dragen” elkaar. Toen Labo vzw haar subsidies kwijtraakte, en Filmlabo dus ook, zijn wij bijvoorbeeld meer kosten beginnen dragen in onze samenwerking. Kleine organisaties helpen elkaar ook om subsidiedossiers te schrijven zodat ze op termijn zelfstandig kunnen worden. Dat kan alleen als je dat vertrouwen hebt, en als je echt vindt dat wat de ander doet waardevol is.
Een verhaal waar ik ook vaak aan moet denken, is dat van Cinema Nova in Brussel. Zij zijn erin geslaagd om hun vastgoed te kopen. Geloven jullie in zo’n oplossing voor de Skoop?
Mercier: Ik geloof wel in een coöperatieve structuur, zeker in een stad als Gent. Het mooie aan het verhaal van Nova is dat ze iets hebben kunnen realiseren wat je als kleine speler normaal niet zomaar kunt doen. Zelfs als middelgrote organisatie, zoals de vzw waar ik binnen Sphinx deel van uitmaak, heb je die slagkracht niet. Als je de krachten bundelt, sta je financieel én inhoudelijk sterker, tegenover beleidsmakers en private verkopers. Of dat voor de Skoop ook kan, is weer iets anders. Maar ik geloof wel in het model, vooral omdat er gelijkwaardigheid in zit. Tegelijk zijn er ook gewoon commerciële belangen in de sector. Ik vind niet dat die per se weg moeten. Lumière heeft ook bestaansrecht. Ik heb het moeilijker met iets als Cine K, een initiatief van Kinepolis. Dit gaat om een beursgenoteerde multinational die plots inspeelt op de markt van arthousefilms.
Soberon: Niemand zegt dat een coöperatieve die functies niet kan vervullen.
Mercier: Nee, natuurlijk niet. Cineville is ook een coöperatie, met cinema’s als coöperanten en dat zijn vaak commerciële vennootschappen. Maar er staat wel een gezamenlijk maatschappelijk doel voorop, eerder dan de winst. Als het aantal abonnees stijgt en er dus meer inkomsten zijn, wordt er gekeken hoe cinema’s daar ook iets van terugkrijgen.
Maerschand: Ik denk dat beide mogelijk zijn. Ik heb zelf een aandeel gekocht in Nova, en die eerste algemene vergadering was waanzinnig: een theaterzaal vol honderden aandeelhouders. Nova heeft trouwens ook een broederlijke/zusterlijke band met Ciné Rio.
Ik begrijp ook de vrees voor een speler als Lumière, met name dat het een voorspelbare formule kan worden. Maar Lumière in Brugge stemt dan weer hoopvol. Zij staan wel degelijk open voor samenwerkingen met andere vertoners. Daar zijn ook kleinere festivals ontstaan, zoals Stom! van Pelliculot, en samenwerkingen met Razor Reel. Ze staan dus misschien meer open voor alternatieven dan we soms denken.
Een ander aspect is de externe financiering van jullie organisaties. Ontstaat bij elke subsidieaanvraag de druk om meer te doen met dezelfde middelen?
Mortier: Dat geldt voor veel organisaties die erg krap zitten. Soms komt er dan bij gelijke middelen nog extra werk bovenop. Wij zitten niet bij het VAF, maar in het Kunstendecreet gebeurt dat zeker: veel extra werk, veel bureaucratie. Dat vraagt enorm veel tijd.
Soberon: Je bent altijd bang: als we die middelen nu niet krijgen, zijn de gevolgen desastreus. Dus beloof je altijd meer om jezelf veilig te stellen. Je krijgt een inflatie van beloftes. We voelen dat bij KASKcinema: door die vele opeenvolgende subsidiedossiers hebben we onszelf vastgezet in verwachtingen die nog moeilijk in te lossen zijn.
Demasure: In het laatste juryrapport van Stad Gent werd letterlijk gevraagd of we niet méér voorstellingen konden doen dan gemiddeld één per week. Dat hebben we dan ook gedaan. In het vorige seizoen hadden we weken met vier voorstellingen, en gemiddeld zaten we aan twee per week ongeveer. Financieel lukt dat eigenlijk niet, nog los van personeelskosten. We houden de cinema draaiende met een halftijdse medewerker. Er is nu recent één iemand één dag per week bijgekomen. Ik herken het dus volledig.
Mortier: Je merkt in de sector dat er altijd al een rem zit op verwachtingen, aanvragen en ambitie. Zeker in de audiovisuele kunsten. Alsof we onszelf al inhouden nog voor iemand anders ons daartoe aanzet. Misschien omdat we ertoe gedwongen zijn. Bij het VAF mag je eigenlijk niet echt dromen en indienen. Je werkt in een vrij concreet kader met richtbedragen en dergelijke.
Soberon: Vroeger had je bij het VAF nog een soort opsomming van kleine premies, regionale spreiding bijvoorbeeld, maar daar zijn ze van afgestapt. Wie structureel ondersteund wordt, kan namelijk niet meer bijsturen wanneer een begroting fout blijkt of wanneer er nieuwe variabelen opduiken, wat in een periode van vier jaar onvermijdelijk is.
Mortier: Dat lijkt me heel moeilijk werkbaar.
Soberon: Soms zijn er ook gewoon misschattingen. Met Kinoautomat hadden we vorig jaar een voorstel gedaan voor een spookcinemareeks bij Stad Gent, waarbij we pop-upvertoningen zouden doen op oude vertoonplekken. In gebouwen die nu carwashes, cafés of bokszalen zijn. We kregen vijftien procent van het gevraagde bedrag. Dan hebben wij de subsidie maar geweigerd. Voor mij gaat het dan ook over kennis van het vak. Weten mensen eigenlijk hoeveel een filmvertoning kost? Hoeveel filmrechten kosten? Soms merk ik op lokaal niveau echt een vervreemding. Alsof men denkt dat je gewoon een BluRay koopt en die afspeelt.
Mortier: Dat herken ik ook. De kosten stijgen gigantisch. Infrastructuur, artist fees, rental fees, dat gaat razendsnel omhoog. Julie [Daems] van Film Plateau zei onlangs dat je er met de oude bedragen echt niet meer komt.
Soberon: Dat klinkt niet sexy in een subsidiedossier: “Het ligt echt niet aan ons, maar we hebben wel dubbel zoveel nodig voor hetzelfde.”
Mercier: Voor mij spelen daar twee dingen in mee. Enerzijds starten veel werkingen klein: vaak met vrijwilligers, misschien met één iemand die deels betaald wordt. Je vertrekt vanuit liefde, passie en enthousiasme. Daarna beginnen die werkingen te professionaliseren. Dat is goed, maar in die beginfase doe je al veel onbetaald werk. Dus de eerste keer dat je een dossier indient, vertrek je eigenlijk al vanuit een scheefgetrokken realiteit. Veel organisaties zijn zo gegroeid en vertrekken dus met een historische achterstand tegenover andere culturele organisaties. Bij ons in Sphinx denken we vaak: het is te veel, we moeten afremmen. Maar dan dient er zich een initiatief aan, of er komt een idee op, en dan wil je daar toch weer iets mee doen. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met iets dat via een innovatiepremie van het VAF ondersteund wordt. We vinden dat inhoudelijk belangrijk, maar zelfs met die extra ondersteuning is het niet altijd realistisch om dat in je werking in te passen. Soms zijn we dus het slachtoffer van ons eigen enthousiasme.
Maerschand: Ik denk aan een vertonersessie over participatief werken3 waarin Ciné Rio werd uitgenodigd om te vertellen over Drijf In, een vertoningsinitiatief op het water. Dat was een enorm succes en werd naar voren geschoven als inspirerend voorbeeld van hoe je met de buurt kan werken en kan blijven dromen. Maar als je, naast de productionele ondersteuning vanuit het kunstenfestival Openbare Werken, rekening houdt met het feit dat het evenement door vrijwilligers werd getrokken, dan is het zuur voor cinema’s die niet zulke grote groepen mensen en middelen ter beschikking hebben. Zij zijn fundamenteel anders gestructureerd, terwijl Ciné Rio zijn beperkte middelen van het VAF ook inzet om de zogenoemde “cineclub” van vrijwilligers mogelijk te maken.
Misschien is het een oplossing om expertise te faciliteren. De weg naar een vertoning vinden lukt op zich wel, maar Stad Gent zou een grote rol kunnen spelen door expertise samen te brengen.
Voelen jullie dan meer wantrouwen tegenover jullie werking?
Maerschand: Het gaat inderdaad telkens om vertrouwen. We bezoeken elkaars festivals en kruisen elkaar in dezelfde cinema’s. Dat weefsel zit goed. Vanuit die verbondenheid groeit dan ook de vraag naar vertrouwen van buitenaf. Vertrouwen in onze werking.
Mercier: Ja. Met Kino KABOOM, tijdens de Gentse Feesten, hadden we een rapportering die niet via Cultuur liep maar via de Dienst Feestelijkheden. Dat verliep veel lichter. Het ging natuurlijk om een kleinere subsidie, maar zowel aanvraag als rapportering was veel behapbaarder. Ik hoop dat het voor Gent meer die richting uitgaat. En ergens hoop ik dat het VAF ook eens kijkt naar hoe lokale overheden dat aanpakken.
Soberon: Als je al vijftien jaar een werking hebt die groeit en een meerwaarde voor het veld heeft bewezen, dan blijft de vraag toch: vanaf wanneer word je vertrouwd? Vanaf wanneer ben je veilig?
Mortier: Ik snap dat honderd procent. Maar een even grote zorg voor mij is: is er nog instroom mogelijk voor nieuwe organisaties? Als iedereen veilig is? We leven ook niet in Noorwegen: de middelen blijven beperkt.
Mercier: En aanvullend: hoe stabieler bestaande organisaties worden, hoe meer je weer in die groeilogica terechtkomt. In Gent zitten er in de hele cultuursector veel organisaties met een generatiewissel. Dat is moeilijk, want veel huidige leidinggevenden zijn heel vergroeid met hun werking, wat ik ook begrijp. Maar hoe groter en stabieler een organisatie wordt, hoe logger ze soms kan worden. Dat is een risico. Tegelijk is die noodzaak om jezelf te presenteren of heruit te vinden niet alleen negatief. Als je kritisch blijft kijken naar wat je doet, blijf je ook vernieuwing toelaten. Het mag niet alleen een administratieve verplichting zijn.
Soberon: Diversiteit in het landschap houdt ons wel scherp. Maar de gatekeepers kunnen wel verschuiven: niet meer de subsidieorganen, maar de huizen zelf. Wie krijgt een plek? Wie mag mee in een huis? Zo creëer je misschien gewoon nieuwe monolieten.
Mercier: Daarom is NTGent wel een interessant voorbeeld. Tien jaar geleden dacht ik soms: dit is een beetje saai, niet iets waar ik als jonge persoon naartoe wil. Maar op een bepaald moment wordt daar wel nagedacht over een nieuwe artistieke visie en een nieuwe leiding. Dat bedoel ik met het loskoppelen van individuen en organisaties. Zo kan een werking zelf ook in beweging blijven. Ik geloof minder in de figuur van de grote programmator die een volledige werking aanstuurt. We willen diversiteit in ons publiek, maar dan wordt dat allemaal gefilterd door één artistieke visie. Ik vind het interessanter om naar modellen te kijken met meerdere artistieke directeurs.
Demasure: Bij ons is dat zo. Ik ben coördinator, maar elk seizoen zijn er andere programmatoren. Met ons recente initiatief Atelier OFFoff proberen we wat buiten de lijnen van een pure vertoningsplek te kleuren en jonge makers meer ruimte te geven. Dankzij die innovatiepremie kijken we nu ook of het een filmwerkplaats kan worden, met peer-to-peersessies, workshops en ruimte om werk aan elkaar te tonen.
Kloppen mensen bij jullie aan, of is het een actieve zoektocht naar mensen die willen programmeren?
Demasure: Voorlopig lukt dat met mensen die bij ons aankloppen. Of we zien zelf iets en vragen een maker om mee te denken over een programma, waardoor iemand tegelijk filmmaker en curator wordt. Binnen Atelier OFFoff merken we in elk geval dat er veel mensen zijn die willen programmeren of op zoek zijn naar kanalen om dingen te tonen.
Is die ruimte er genoeg bij jullie?
Mortier: Bij ons is daar geen vaste regel voor. Er zijn veel verschillende manieren waarop we samenwerken met curatoren. We hebben het festival lang met vier vaste mensen gedaan, maar de laatste jaren zijn we dat actief anders gaan bekijken. Voor de editie van 2026 is het programma samengesteld door zestien mensen. Dat is een enorme verandering. Voor mij blijft de grote uitdaging wel: hoe zorgen we in de toekomst voor meer diversiteit en jeugdigheid bij de mensen die keuzes maken.
Wat zou jullie advies zijn aan iemand die een nieuw initiatief wil oprichten? Pieter-Paul, ik herinner me dat jij tijdens een openingsavond van Courtisane eens zei: “Durf klein te blijven.”
Mortier: Ja, maar dat is een moeilijke positie. Dat heeft dit gesprek wel duidelijk gemaakt. Het is wel iets dat we bij Courtisane delen: we moeten het koesteren om klein te zijn en niet automatisch in een groeilogica willen stappen. Maar dat is niet altijd eenvoudig.
Maerschand: Bij Ciné Rio verloopt dat heel natuurlijk. Wij zijn een groot collectief dat met de tijd verandert qua samenstelling. Er zijn mensen die er zes of zeven jaar geleden bij waren, maar nu nog maar af en toe komen. We werken met een groep van vijftien à twintig mensen, waarvan een twaalftal actief programmeert, en daarbinnen nog een kleinere kern die alles afklopt. Dat blijft circuleren. Het wordt geen groep van veertig mensen.
Mercier: Wat ik altijd mooi gevonden heb aan Rio is dat vrijwilligers die bij jullie weggaan, vaak elders als professional in het Gentse filmlandschap terechtkomen. Of iemand als Lotar [van Ciné Mangiare], die gewoon met een eigen project begint.
Maerschand: Aan jonge mensen die een initiatief willen opzetten zou ik zeggen: ga naar cinema’s, ga naar andere vertoningen, blijf niet op je eiland. Beleef eerst mee wat er al is, en ga van daaruit zelf iets doen.

- 1
Tim Raats, Daniël Biltereyst (UGent) , Philippe Meers, Sien Van de Wouwer en Axelle Asmar, “Analyse van filmexploitatie in Vlaanderen : een onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel, Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen”. Een studie in opdracht van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF).
- 2
In de zomermaanden organiseren verschillende Gentse vertoners Heden Cinema in De Tuin van Heden in Ledeberg, een reeks openluchtvertoningen waarbij gedurende tien woensdagen telkens een andere filmvertoner het programma verzorgt. Theresia was een tijdelijke artistieke invulling van het voormalige Theresianenklooster in Gent, waar ook een filmaanbod bestond.
- 3
Tweemaal per jaar organiseert VAF binnen de afdeling Publiek een vertonerssessie: een moment voor informatie, inspiratie en netwerking, gericht op bioscopen, distributeurs, festivals, cultuurcentra en andere filmorganisaties, waarbij inspirerende praktijken en initiatieven centraal staan.
Beelden (1), (2) en (3) door Tillo Huygelen
Beeld (4) door Michiel Devijver

