Een eerste film

Een rondetafelgesprek met Hans Bryssinck, Ben De Raes, Leni Huyghe en Maja-Ajmia Yde Zellama

Het eerste deel van dit gesprek vindt u hier.

Setfoto van Kapital Europe (Ben De Raes, 2025) | © Bo Vloors


Gerard-Jan Claes: De grootte van het budget bepaalt ook hoe je je film kan draaien. Hoe was dat bij jullie? Konden jullie comfortabel draaien?

Hans Bryssinck: Ik vind het moeilijk om het woord “comfortabel” te koppelen aan de notie van “opnames”. Het zal misschien bestaan, maar in mijn omgeving heb ik het nog niet echt gehoord. Zelfs mensen die voor de grote platformen werken, vertellen verhalen die in mijn oren klinken als uitbuiting.

Maja-Ajmia Yde Zellema: Nee, je werkt vaak niet comfortabel.

Claes: Op welke momenten merk je dat dan?

Leni Huyghe: Als het te donker wordt en er geen extra licht voorzien is, moet je daar dan rekening mee proberen te houden. Dat is ook het gevolg van te snel draaien, door een gebrek aan tijd.

Claes: Draaidagen die te vol gepland worden?

Huyghe: Ja, daardoor verlies je ook een bepaalde verhouding met de mensen met wie je werkt.

Claes: Hoeveel draaidagen hadden jullie?

Yde Zellama: Ik denk 23 dagen, het was echt heel kort.

Huyghe: 21, denk ik.

Ben De Raes: 19 draaidagen, waarvan enkele korte dagen. We liepen soms zelfs voor op de planning. Omdat we zo economisch mogelijk moesten omgaan met onze aangekochte 16mm-rollen, deden we vaak maar twee of maximaal drie takes. Echt stress heb ik maar één dag ervaren, vooral door externe factoren zoals lawaai naast de draailocatie. Gelukkig hadden we voldoende reserve voor één reshoot, die we ook hebben georganiseerd en die de film zeker beter heeft gemaakt.

Bryssinck: Vijf weken van vijfenhalve dag per week… Het lijkt wel alsof er altijd te weinig geld is, ongeacht hoe groot of klein het budget is. Het zou goed zijn om eens te bespreken wat “low budget” eigenlijk betekent. Hoe klein is klein? Voor Celestino werkten we met een budget van het Filmlab, en dat is klein. Je moet een evenwicht zoeken; je wil zo veel mogelijk doen met dat geld, maar tegelijkertijd wil je mensen ook eerlijk betalen voor hun werk. We hebben nog aanvullende financiering proberen te vinden in Frankrijk, waar de hoofdacteur vandaan komt, en in Mexico, maar dat is ons niet gelukt. Toen ik uiteindelijk besloot het met dat budget te doen, heb ik met iedereen die al een engagement had uitgesproken een gesprek gevoerd waarin ik de condities zo goed mogelijk probeerde te schetsen. Toch blijft het moeilijk, want je botst altijd op grenzen. Soms vraag ik me af of ik nog radicalere keuzes had kunnen maken: jezelf een beperking opleggen, die misschien tot extra creativiteit leidt.

Yde Zellama: Het gebrek aan geld voel je vooral in het gebrek aan tijd. Wij hadden ook hetzelfde probleem met licht: er was niet zoveel licht beschikbaar, want dat is duur. Elke dag moest alles heel snel gaan. We hadden bijvoorbeeld maar een half uur om te eten. Zo draaien is echt stresserend, zeker als regisseur, omdat je weet dat niet iedereen goed betaald wordt. Je voelt je dan heel verantwoordelijk, en dat maakt alles moeilijker.

Claes: Neem je dat mee naar een volgende film?

Huyghe: Ik zou dat graag beter willen opvangen van in het begin, zodat de gesprekken daarover anders kunnen verlopen. De productie wordt op een bepaalde manier opgezet, er worden deals gemaakt, en zodra die machine eenmaal draait, is ze moeilijk te stoppen. Dan sta je plots om drie uur ’s nachts in de winter ergens buiten en is er bijvoorbeeld geen kostuummedewerker om een acteur een jas te geven.

Yde Zellama: Ja, dat is waar. Zo veel kleine dingen.

Huyghe: Je wil dat de film op een juiste manier gemaakt wordt, met zorg voor elkaar. Maar dat is echt een gevecht.

Bryssinck: Zo heb ik dat ook ervaren. Zorg zit op veel verschillende manieren in een productie. Bijvoorbeeld in het eten: ervoor zorgen dat iedereen daar voldoening uit haalt, heeft bij ons denk ik zeker bijgedragen. We zaten vier weken in hetzelfde afgelegen dorp, waar geen degelijke accommodatie was, dat was een uitdaging. Maar de manier waarop we door het dorp en de mensen werden ontvangen, heeft enorm bijgedragen aan de sfeer. Alles was bovendien op wandelafstand, wat de verplaatsingen aangenaam maakte.

De Raes: Mijn idee voor deze film was eigenlijk: laat ik vooral proberen een fijne werkplek te creëren, want daaruit kan vanzelf een mooie film voortkomen. Dat is wat we geloven. Tijdens de voorbereidingen hadden we daardoor wel een moeilijk moment met een medewerker. Er kwamen te veel visies samen van verschillende partijen die het allemaal goed probeerden te doen, en tegelijkertijd hadden we ook verwachtingen van elkaar die niet helemaal correct waren. Voor de film is het goed dat dit al tijdens de voorbereidingen gebeurde; op set zou het veel explosiever geweest zijn. Gelukkig had ik toen steun van mijn coproductrice Laurence, die me hierbij kon bijstaan en dit op een zachte manier liet landen. Als producent én filmmaker tegelijk werd ik daar wel het meest onzeker van: je bent plots echt werkgever en dat brengt nog meer verantwoordelijkheid met zich mee.

Real Faces (Leni Huyghe, 2025)

Claes: Tegelijkertijd is het ook je eerste lange film die je kan maken, de eerste keer dat je met die hele machinerie kan werken.

Huyghe: Ja, want wat moeilijk is, is tegelijk ook heel fijn. Het feit dat al die mensen samenwerken voor jouw film. Dan zit je plots ’s nachts in de koffer van een auto, naast een klankman, met een monitor waarop je amper iets ziet. Het is bijna onmogelijk dat er geen conflicten zijn, maar er zijn evengoed veel mooie momenten, en uiteindelijk is er natuurlijk ook een film.

Yde Zellama: Het werken met Grimm Vandekerckhove, ook jouw cameraman, was echt een mooie verrassing. Ik wilde eerst graag met een vrouw voor camera werken, maar dan heb ik Grimm ontmoet. We zijn twee heel andere persoonlijkheden, maar we hebben veel vrijheid gevonden.

Claes: Hadden jullie met heel wat crewleden al eerder samengewerkt?

Huyghe: Ja, er zijn mensen teruggekomen van andere projecten, maar eigenlijk waren er ook veel nieuwe gezichten. Dat was een voordeel van het draaien van het tweede seizoen van Hacked: het was zo’n fijne ploeg en daarvan zijn veel mensen ook op de set van Real Faces beland. Stonden er bij jou veel vrienden op de set?

Yde Zellama: Uiteindelijk waren er niet zo veel vrienden op de set. Marc en Nabil hadden me dat ook afgeraden en ze hadden gelijk. Het is voor mij sowieso moeilijk om grenzen te stellen. Je werkt uiteindelijk samen, je hoeft niet per se vrienden te zijn. Zoals ik al zei, voelde ik me ook echt een outsider in het filmmilieu. Maar ik heb wel een aantal mensen ontmoet die ik anders nooit had leren kennen: Sofie Tusschans, de regieassistente, en Dieter Diependaele, voor montage. Ik was echt blij dat ik die professionele relaties kon opbouwen. Omdat alles zo nieuw voor mij was, was ik er op de set erg mee bezig te zorgen dat iedereen het goed had. Maar dat is eigenlijk niet mijn job, Sofie heeft me dat zo vaak gezegd. Al op de tweede dag was er bijvoorbeeld een conflict tussen Sofie en een acteur die heel boos werd. Dat was echt niet oké. Ik kende die acteur al zeven jaar, het is een vriend, en ik voelde me er enorm ongemakkelijk bij. Ik moest op dat moment leren dat het niet mijn probleem is. Ik ben niet verantwoordelijk voor het gedrag van iedereen. Dat was voor mij een van de moeilijkste aspecten: mezelf overtuigen dat we gewoon aan het werk zijn, en dat conflicten daar soms bij horen. Mensen doen hun werk en daar moet je het bij laten.

De Raes: Bij mij was het juist het tegenovergestelde. Ik had veel vrienden op set, ik maak dan ook graag films met vrienden. Dat is een van de leukste dingen om te doen. Veel van hen hebben een achtergrond in film, maar werkten niet per se in de functies waarvoor ze nu waren aangesteld. Er werkten zeker niet alleen professionals op set. Dat ging ten koste van de efficiëntie, maar gaf tegelijk meer vrijheid om de set te organiseren zoals wij wilden. Op deze manier waren er weinig problemen met ego’s op set, denk ik.

Claes: Hebben jullie het gevoel dat jullie in jullie langspeelfilm een manier van werken hebben gevonden?

De Raes: Die kleine set, werken met een beperkt budget, dat ligt mij wel. Als 16-jarige kocht ik een tweedehands boek: Guerilla Filmmaking. Verschrikkelijke titel, maar in de kern zegt het: je hebt geen dolly nodig, een bureaustoel volstaat. Ik vind het grappig dat ik, twintig jaar en een hele filmopleiding later, nog steeds zo denk. Natuurlijk is dat niet helemaal waar, maar ik film liever met minder geld dan dat ik te lang moet wachten om te kunnen filmen.

Yde Zellama: Ik voel wel dat ik in mijn werk met acteurs iets heb gevonden dat ik wil blijven ontwikkelen. Een lange repetitieperiode waarin we aan de personages kunnen werken en over de backstory kunnen spreken, is ook een soort teambuilding voor de draaiperiode. De repetitie van de scène zelf is eigenlijk niet het belangrijkste. Bij een volgende film zou ik graag een nog langere repetitieperiode willen, maar dat moet natuurlijk budgettair mogelijk zijn. Ik weet alleen nog niet zeker of ik weer met niet-professionele acteurs wil werken. Dat is echt moeilijk. De filmwereld wordt zo geromantiseerd en dat creëert veel problemen. We hebben daar vooraf uitgebreid over gesproken, maar mensen hebben vaak een beeld in hun hoofd dat moeilijk te ontkrachten is.

Huyghe: Ik heb nog nooit met niet-professionele acteurs gewerkt, en dat zou ik nu wel eens willen proberen. Ook wil ik meer nadruk leggen op het castingproces, om er zeker van te zijn dat je echt de juiste persoon kiest. Maar ik werk graag met acteurs: ze brengen een metier en een bepaalde creativiteit mee die je als regisseur niet zelf hoeft in te vullen.

Yde Zellama: Ja, werken met niet-professionele acteurs is vooral moeilijk tegen het einde van de draaiperiode. Voor ons als filmmakers is dat natuurlijk niet het einde, er volgt nog de hele postproductie, maar voor mijn acteurs betekende het echt een soort leegte. Sommigen werden boos omdat ze niets meer hoorden, omdat ik tijdens de montage niets had gestuurd. Of er ontstonden misverstanden tussen bijvoorbeeld de acteurs en de make-up- of kostuummedewerkers. Tijdens het draaien waren ze “vrienden”, maar dat is tijdelijk. Niet-professionele acteurs begrijpen niet altijd dat die jovialiteit deel van het werk is. Terwijl de acteurs de filmploeg nog zien als een echte vriendengroep, is bijvoorbeeld de make-upartiest al bezig op een andere set.

Huyghe: Doordat er tijdens de draaiperiode een bepaalde intimiteit en verbinding ontstaan, volgt daarna vaak een zwart gat. Dat is altijd pijnlijk, dat afscheid nemen.

Yde Zellama: Ja.

De Raes: Ik heb dat zwarte gat zelf ontlopen door meteen op reis te vertrekken en daarna direct met de montage te beginnen. Dat was heel fijn. Iedereen weerzien tijdens de première, zes of zeven maanden later, was ook geweldig. Het voelde echt als de terugkeer van dat zomerkamp.

Têtes brûlées (Maja-Ajmia Yde Zellama, 2025)

Claes: Hoe verliep de montage?

Yde Zellama: Ik heb niet zoveel geduld, dat moet ik echt leren. Maar de samenwerking met Dieter Diependaele op montage was echt geweldig. Ik had dat echt nodig: iemand die professioneel werkt, maar ook heel menselijk is, met dezelfde waarden.

Huyghe: Ja, je moet wel elke dag met die persoon in een montagecel willen zitten. Ik monteerde met Tom Denoyette. Behalve voor één kortfilm heb ik al mijn werk met hem gemonteerd. Dat is echt een heel fijne samenwerking.

Bryssinck: Dan wil ik graag ook Fairuz Ghammam vermelden, die mijn vorige film mee monteerde en de montage van Celestino opstartte. Ook de Argentijnse Julieta Seco, die er in het laatste halfjaar van de montage bij kwam, wil ik vermelden. Met haar had ik een heel goede, avontuurlijke dialoog, en volgens mij heeft ze de film echt nog laten groeien.

De Raes: Voor mij geldt hetzelfde met Rik Chaubet, de monteur met wie ik werkte. We ontmoetten elkaar tijdens een receptie, enkele maanden voor de opnames, en ik dacht meteen: het lijkt me gezellig om met hem in een montagecel te zitten.

Claes: Hoelang hebben jullie gemonteerd?

Yde Zellama: Ik weet het niet precies. Van maart tot september, met pauzes. We hebben veel versies gemonteerd. Maar ik heb ook begrepen dat het niet mijn favoriete deel is.

Huyghe: Voor mij is dat echt de beste fase.

De Raes: Ik vind dat ook heel leuk.

Yde Zellama: Ja, ik hoor vaak dat mensen zo van de montagefase houden. Ik vind het vooral moeilijk om zoveel uren na elkaar te moeten zitten.

Claes: Heb je tijdens de montage dingen ontdekt over je maakproces, dingen die je anders zou hebben gedaan?

Yde Zellama: Ja, je leert ontzettend veel tijdens de montage, ook over mise-en-scène en over afstand, bijvoorbeeld. Met de monitor is er geen afstand, dat besef ik nu beter. Of dat ik sommige scènes beter had moeten voorbereiden. Ik heb ook veel geleerd over subtiliteit, en ontdekt dat er te veel personages waren.

De Raes: Ik denk dat vooral mijn voorbereiding beter had gekund. Meer tijd om te repeteren met de acteurs, ook al waren het deels niet-professionele spelers. Het is belangrijk om te weten wat iemand kan en waar je aan kunt sleutelen. Mijn scenario was niet zo strikt narratief dat een plot zou breken als een scène aan iemands kunnen werd aangepast, maar soms moest dat op set gebeuren, en dat had zeker zijn beperkingen. Een niet-professionele acteur die iets niet goed kan, wordt waarschijnlijk sneller of fundamenteler onzeker dan een professionele acteur.

Huyghe: Je ontdekt waar je meer tijd had willen nemen, waar je afstand had willen creëren om de scènes meer zuurstof te geven, waar er rustpunten ontbreken. En je leert de waarde kennen van de extra, ongeplande filmmomenten. Die moet je sowieso altijd behouden, want daarin zit echt een belangrijk deel van de film. Plots zie je iets ontstaan en dat moet je laten gebeuren.

Claes: Was daar veel ruimte voor?

Huyghe: Nee, niet echt. Maar ze waren er wel, mede dankzij Grimm, die ook besefte dat we die momenten nodig zouden hebben. Ik had soms graag wat meer durf willen tonen.

Bryssinck: Ik vind monteren iets heel bijzonders. Ik hou van die precisie: een frame meer of minder kan echt een verschil maken. Ook hoe je de betekenis of het gevoel van een scène kunt veranderen door de montage fascineert me. Deze keer was het proces toch ook moeilijk, vooral in het begin. Ik had spijt van enkele keuzes tijdens de opnames en worstelde met een deel van mijn materiaal. Na de opstart met Fairuz ben ik vier weken lang zelf de studio ingedoken. Ik bracht tijd met het materiaal door, speelde ermee, probeerde er anders naar te kijken en liet me verrassen. In dat montageproces, dat meer dan anderhalf jaar duurde, is er echt een nieuwe film ontstaan. Dat merkte ik ook toen ik de film aan mensen uit de crew toonde. Zij hadden een andere film in hun hoofd.

Claes: Hebben jullie tijdens de montage de film aan veel mensen laten zien met het oog op feedback?

Yde Zellama: Ja, al vroeg in de montage. Dat vond ik heel belangrijk, om hem te laten zien aan mensen met wie ik geen intieme relatie heb, juist omdat het zo’n persoonlijk verhaal is. Wat hebben ze begrepen, wat hebben ze gezien? Ook bij mensen die bijvoorbeeld niet moslim of Maghrebijns zijn.

Claes: Maja-Ajmia, jij maakte een film die dicht bij jou ligt. Laat je die dan ook aan mensen zien die deel zijn van je leven, voordat de film af is?

Yde Zellama: Nee, aan niemand.

Claes: Bewust.

Yde Zellama: Ja, bewust. Ik wilde enkel “objectieve” feedback. Het was beter zo.

Claes: En jullie? Lieten jullie veel mensen meekijken tijdens de montage?

Huyghe: Heel vaak eigenlijk, vanaf het moment dat we voelden dat er een versie stond die bekijkbaar was, wanneer de puzzelstukjes op hun plaats begonnen te vallen. Dus aan verschillende mensen in Brussel, met verschillende achtergronden, omdat de film bij iedereen anders kan vallen. Bij mij waren dat vaak vrienden, meestal filmmakers, en natuurlijk Elisa. Zij heeft veel versies van de film gezien.

De Raes: Ik heb de film voornamelijk aan andere filmmakers of mensen uit de sector laten zien, en ook een versie aan mijn partner. In het begin is dat frustrerend, omdat je zelf met zoveel meer kennis naar een ruwe montage kijkt dan de mensen die feedback geven. Maar wanneer de film door hun opmerkingen daadwerkelijk is verbeterd, is dat ook erg bemoedigend.

Claes: Was de film op een bepaald moment echt af voor jullie of had je vooral het gevoel dat een deadline het einde bepaalde?

Yde Zellama: Ik heb geen geduld, dus voor mij was het einde van de montage echt het einde. Ik ben niet het type regisseur dat vijf jaar aan een montage wil werken.

Huyghe: Ik ben eigenlijk ook heel ongeduldig. Voor mij voelde de film wel picture lock bij het einde van de montage. Al denk ik dat het goed zou zijn om de film op dat moment een paar maanden te laten liggen en er daarna naar terug te keren. Er is bijvoorbeeld nu nog steeds één shot dat ik er weer in wil, dat zit nog altijd in mijn hoofd.

Bryssinck: Het geld was op. Anders had ik nog enkele weken met Julieta willen werken. We werkten tot de dag dat zij terug naar Argentinië vertrok. Ik vond dat er nog wat geschaafd kon worden, dus ben ik daarna drie dagen in de slaapkamer van een vriend gaan monteren, in een dorp buiten Mexico-Stad. Die avond liet ik de film aan twee vrienden zien die toevallig daar waren. Later nam ik de bus terug naar de stad. Terwijl ik door het raam naar het donkere landschap keek, voelde ik een gewicht van mijn schouders vallen. Dat voelde inderdaad als: “Nu is de film af.”

De Raes: Ik had een budget afgesproken met de monteur, en zodra dat op was, moest de film af zijn. Dat is perfect gelukt. Ik begrijp het productie-aspect nog niet helemaal, waarin blijkbaar toch geld beschikbaar is voor extra montagedagen. Waar komt dat geld dan vandaan? Voor mij was de film zeker af. In het begin gaat het snel: eerst ligt er een schets van de film, dan schrappen, dan verschuiven. Op den duur heb je bijna alles gedaan wat je kunt doen en moet je gewoon keuzes maken.

Setfoto Celestino (Hans Bryssinck, 2025)
Setfoto Celestino (Hans Bryssinck, 2025)

Claes: Als de film af is, dan begint het verhaal van de festivals, de sales en de distributie. Wat waren jullie verwachtingen?

Yde Zellama: Ik had echt geen verwachtingen en ik denk dat dat ook hielp. Het voelde gewoon als een nieuw deel van het avontuur. Ik was heel blij met de selectie in Berlijn. Wat er met de film zou gebeuren als hij klaar was, speelde niet echt in mijn hoofd. Ik wachtte af. Het belangrijkste is natuurlijk dat mensen de film zien. Ik dacht dat het moeilijkste deel het vinden van geld voor de productie zou zijn, maar de distributie verloopt eigenlijk nog moeilijker. Altijd dezelfde feedback: dat het te niche is. Ik snap dat niet goed, is “rouw” te niche? In Frankrijk heeft men het dan weer over politieke spanning, of dat het te veel over religie gaat, er te veel hoofddoeken voorkomen in de film. Dat was echt een shock voor mij. Nu gaat mijn film in Palace draaien, zonder distributeur. Hopelijk volgt er nog meer. Maar dit is ook de eerste keer dat ik dat doe. Ik heb echt geen idee hoe dat gaat, met wie mijn producenten spreken.

Huyghe: Distributie vinden was ook ontzettend moeilijk. Bijna iedereen zei nee. En nu is er plots Bright Fish. We kwamen daar binnen en ze zeiden meteen dat ze het gingen doen. Ik viel van mijn stoel. Maar dan komt de hele marketing erbij, en dat is ook best moeilijk. En dan is er plots We Love Cinema, maar dat is gesponsord door BNP Fortis Paribas. Dus dan ontstaat er ook een ethische kwestie.

De Raes: Ja, ook voor mij was dit het moeilijkste proces. Ondanks veel fijne reacties kwam vaak snel het antwoord: hier kunnen wij niet voldoende publiek voor vinden, dus kunnen we onze beperkte mankracht daar niet aan besteden. Dat begrijp ik volledig. Ik heb de film zelf verdeeld. Het was meer werk dan ik had verwacht, natuurlijk ook omdat alles nieuw voor me was. Ik denk dat we een aanzienlijk deel van het potentiële publiek hebben bereikt, maar met de inkomsten daarvan kun je niemand tewerkstellen. Wat ik vervelender vind, is dat de film nog niet op een internationaal festival heeft gespeeld. We stonden vaak op de shortlist, maar vielen telkens net af. Tegelijkertijd begrijp ik dat wel. Mijn film laat ook steken vallen en is niet op elk punt even sterk. Als je weet hoeveel films er gemaakt worden en hoe “niche” mijn film is, moet je daar gewoon mee leren omgaan.

Claes: Is het een deel van het maakproces van de film of laat je het nu ook ergens los?

Huyghe: Je wilt het eigenlijk niet loslaten, maar ergens moet het wel, want je hebt er geen controle over. Tegelijkertijd word je als figuur van de film ook naar voren geschoven en dat vind ik een lastige verhouding. Die mensen doen gewoon hun werk, maar jij hebt er geen controle over, en toch word je voortdurend als gezicht van de film mee naar voren geschoven. Dat blijft voor mij moeilijk.

Bryssinck: Ik zit daar nog middenin: het zoeken naar distributie. We hebben nog geen festivalpremière gehad. Maar de film is wel al getoond in de Vlaamse kunstencentra die de film mede ondersteunden. Dat was niet hoe ik het oorspronkelijk had bedacht, maar het eerste contact met een publiek was toch heel belangrijk voor mij, bovendien in een omgeving die ik goed kende.

Claes: Naast de distributie is er ook de ontmoeting met een publiek. Het is misschien nog wat vroeg voor jullie, sommige films moeten nog in de zalen komen, maar hoe hebben jullie dat ervaren op de eerste vertoningen?

Yde Zellama: Ik wist niet goed hoe ik zou reageren. Ik herinner me dat Bas Devos eens zei dat op het moment dat je je film aan een publiek laat zien, het niet meer jouw film is. Toen begreep ik dat niet helemaal. Maar toen ik mijn film voor het eerst in Berlijn liet zien, voelde ik eigenlijk niets. Het was zo vreemd. Ik had geen emoties tijdens het kijken. Toen besefte ik wat hij bedoelde: het is inderdaad niet meer alleen jouw film. De reacties waren gelukkig wel heel positief, dus daar was ik blij mee. Maar er zijn altijd dingen die je niet verwacht. Bijvoorbeeld in Agadir in Marokko, afgelopen december: dat was echt verschrikkelijk. Ik was in shock door de reacties, dat had ik echt niet verwacht. Het publiek bestond vooral uit een rijke Marokkaanse elite, mensen die proberen afstand te houden van religie. Ze waren boos op mij, ze zeiden dat ik mijn film “geïslamiseerd” had, te religieus gemaakt. In Frankrijk moesten we ook over de aanslagen spreken. Daar was ik tegen. Een Marokkaanse vrouw zei dat ze teleurgesteld was in mij, terwijl ik haar niet eens ken. Het was heel vreemd. Ze stellen eigenlijk geen vragen. Ze praten vooral over zichzelf.

Huyghe: Ja, dat is een grote vraag: hoe gaan mensen je film bekijken, en wat gaan ze eruit halen voor henzelf? De première in South by Southwest verliep gelukkig heel aangenaam, dus dat stelde me wel gerust. Er waren ook mensen die bleven doorvragen over de metafoor van de korstmossen en waarom we daar eindigen. Dan zie je dat mensen tot het einde meedenken. Maar je hoeft ook niet iedereen aan boord te hebben. Terugkeren met de film naar België vind ik een spannende stap. De film is hier gemaakt, hoe gaat hij hier vallen?

De Raes: Ik ben altijd verrast wanneer mensen zeggen dat ze de film geweldig vonden of er een mooie review of blogartikel over schrijven. Maar het gebeurt ook dat iemand zegt: “Het was heel mooi”, en dan meteen doorloopt. Dan weet je dat het niet echt gemeend is, of dat ze er niet echt door geraakt zijn. Dat is niet erg. Het blijft natuurlijk vreemd dat de regisseur daar staat en dat je meent tegen hem iets te moeten zeggen, terwijl er zoveel mensen hebben meegewerkt; er zijn zoveel factoren die bepalen of een film goed of minder goed wordt…

Claes: Hoe denken jullie nu na over een mogelijke tweede film?

Yde Zellama: Ik ben nog niet echt bezig met een tweede langspeelfilm. Ik heb wel ideeën en schrijf een beetje. Maar wat ik vooral wil, is meer tijd nemen en plezier hebben in het maken. Ik wil ook bewuster omgaan met het productieproces en daarin zelfzekerder worden.

Huyghe: Ik probeer elke film te zien als iets nieuws, als een nieuwe stap. Niet als een breuk, want je bent wel sterker geworden als filmmaker doordat je het hele proces hebt doorstaan. Concreet wil ik bij een volgende film meer tijd nemen voor de casting en de voorbereiding: vooraf bespreken met wie je gaat samenwerken, zodat alles beter op elkaar afgestemd is voordat het draaien begint.

De Raes: Ik wil sommige dingen nu ook trager aanpakken. Voor Kapital Europe wilde ik dat alles heel snel ging; dat voelde als een project van een “jeugdige maker”. Maar die jeugd is nu toch echt voorbij, en ik wil filmmaken rustiger kunnen benaderen. Daarvoor moest eerst die eerste langspeelfilm komen, denk ik: om niet van een wit blad te vertrekken en om mij thuis te voelen in een professionele context. Onbewust doe ik dat bij veel dingen in het leven: impulsief beginnen, fouten maken en zo leren. Op die manier ervaar ik niet zoveel prestatiedruk of onzekerheid, en dat helpt me denk ik. Nu is het waarschijnlijk het juiste moment om, met genoeg ruimte voor bezinning, aan een nieuwe film te beginnen.

Bryssinck: Een tweede film is mogelijk. Daar laat ik het bij.

Beeld (1): Setfoto van Kapital Europe (Ben De Raes, 2025) | © Bo Vloors

Beeld (2) uit Real Faces (Leni Huyghe, 2025)

Beeld (3) uit Têtes brûlées (Maja-Ajmia Yde Zellama, 2025)

Beeld (4): Setfoto van Real Faces (Leni Huyghe, 2025) | © Angela Otten

CONVERSATION
NL
1 2
In Passage, Sabzian invites film critics, authors, filmmakers and spectators to send a text or fragment on cinema that left a lasting impression.
Pour Passage, Sabzian demande à des critiques de cinéma, auteurs, cinéastes et spectateurs un texte ou un fragment qui les a marqués.
In Passage vraagt Sabzian filmcritici, auteurs, filmmakers en toeschouwers naar een tekst of een fragment dat ooit een blijvende indruk op hen achterliet.
The Prisma section is a series of short reflections on cinema. A Prisma always has the same length – exactly 2000 characters – and is accompanied by one image. It is a short-distance exercise, a miniature text in which one detail or element is refracted into the spectrum of a larger idea or observation.
La rubrique Prisma est une série de courtes réflexions sur le cinéma. Tous les Prisma ont la même longueur – exactement 2000 caractères – et sont accompagnés d'une seule image. Exercices à courte distance, les Prisma consistent en un texte miniature dans lequel un détail ou élément se détache du spectre d'une penséée ou observation plus large.
De Prisma-rubriek is een reeks korte reflecties over cinema. Een Prisma heeft altijd dezelfde lengte – precies 2000 tekens – en wordt begeleid door één beeld. Een Prisma is een oefening op de korte afstand, een miniatuurtekst waarin één detail of element in het spectrum van een grotere gedachte of observatie breekt.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati zei ooit: “Ik wil dat de film begint op het moment dat je de cinemazaal verlaat.” Een film zet zich vast in je bewegingen en je manier van kijken. Na een film van Chaplin betrap je jezelf op klungelige sprongen, na een Rohmer is het altijd zomer en de geest van Chantal Akerman waart onomstotelijk rond in de keuken. In deze rubriek neemt een Sabzian-redactielid een film mee naar buiten en ontwaart kruisverbindingen tussen cinema en leven.