30 mei 2026
7 Walks with Mark Brown (Pierre Créton & Vincent Barré, 2024)

Terwijl de stad gonst en kreunt onder de hitte, zoek ik verkoeling in de cinemazaal van Bozar voor 7 Walks with Mark Brown (2024). In het eerste deel van de diptiek, ‘Le tournage’, neemt botanicus Mark Brown filmmakers Pierre Créton en Vincent Barré mee op sleeptouw door het Normandische platteland. Nu en dan houdt hij halt, het signaal voor de filmcrew om in actie te komen. Terwijl ze de 16mm-camera opstellen, legt Brown uit dat we van geluk mogen spreken dat we deze adderstong tegenkomen, een varen van 300 miljoen jaar oud die een symbiotische relatie aangaat met paddenstoelen. Wanneer de camera begint te ratelen, wordt het verder stil. Vijf mensen staan bewegingloos rond het apparaat, turend naar het gras. Opperste concentratie blijkt vereist om het zeldzame plantje in beeld te brengen.
Het tweede deel van de film, ‘L’herbarium’, toont het resultaat van de excursie. Bloemen en planten vullen een voor een het scherm, zorgvuldig in beeld gebracht, wiegend in het zachte avondlicht dat over de bladeren strijkt. De beelden worden ondersteund door de diepe stem van Brown, die de kijker geruststellend toedekt met een deken van Latijnse namen en bijzondere eigenschappen van de planten. In tegenstelling tot de kijkers naast mij, die zich gewillig in slaap laten wiegen, ben ik diep ontroerd door de onverwachte schoonheid van wat ik zie, tot tranen toe.
Wanneer ik na afloop de zaal verlaat, valt mijn versufte blik op een paardenbloem die tussen twee stoeptegels uitgroeit. Ik houd halt, net zoals Mark Brown. Ik probeer de manier van kijken die de film me aanleerde toe te passen en bestudeer het plantje aandachtig. Maar de ontroering blijft uit. Ondanks de aura van deze levende bloem, voelt de ervaring armer aan dan die van de mechanisch geproduceerde versies op het scherm.
De filmische beelden zijn gemaakt. Dat blijkt duidelijk uit het eerste deel van de film, waarin de ploeg zelf in beeld komt. Je ziet hen scherpstellen, licht meten, het kader bepalen en wachten op het juiste moment. Ze overleggen met elkaar en met Mark Brown, die hen zegt waar ze op moeten letten. De film toont hen als beeldenmakers die een actieve relatie aangaan met de wereld, door middel van de camera.
Het zorgvuldig gekozen kader bakent een ruimte af waarin onze aandacht een bepaalde tijd wordt vastgehouden. Anders dan het alledaagse, functionele kijken, biedt deze gedwongen focus de mogelijkheid van een esthetische ervaring. De randen van het beeld werken als een snoeischaar, die overbodige stengels, takken en bladeren wegknipt om die ene uitverkoren plant te laten bloeien. De beperkte scherptediepte brengt nuances aan, onderscheidt vormen en structuren, maar benadrukt ook visuele relaties met de omringende rotsen, het gras, de zee. Op de rand van abstractie, worden de nerven van een blad een gangenstelsel voor ijverige mieren en een stamper een rustplek voor een vlinder. De planten worden tot beeld in een mise-en-scène op hun maat.
Deze mise-en-scène wordt bepaald door een blik – die van de filmploeg, maar ook die van Mark Brown, wiens obsessie het beeld kleurt. In dat opzicht zijn de filmische beelden niet anders dan de houtskooltekeningen die Brown van de bloemen maakt: ze veruitwendigen een subjectieve waarneming. In de cinemazaal worden we deelgenoot van deze waarneming. We kijken niet rechtstreeks naar, we kijken mee. Begeleid door de getrainde blik van Brown, Créton en Barré, leren we niet alleen waar, maar ook hoe we moeten kijken. Door hun ogen differentieert de werkelijkheid zich en krijgen de dingen reliëf.
Precies daarin schuilt de schoonheid, in de wijze waarop de ontmoeting tussen de filmmakers, de botanicus en de planten vormelijk tot uitdrukking komt in het beeld. Het is een ontmoeting die ontzag, obsessie, classificatiedrang, toe-eigening, maar ook tederheid impliceert, connotaties die de bloem enkel als beeld kan oproepen.
Wanneer Brown zelf door de zoeker van de camera kijkt, is hij met stomheid geslagen. De wetenschapper, die al heel zijn leven de wereld om zich heen met woorden probeert te vatten, ontdekt het tot beeld worden van diezelfde wereld.
Hoewel de paardenbloem voor het Brusselse Centraal Station mij niet echt weet te beroeren, heb ik hem wel opgemerkt, zonder afgebakend kader. Ook na het verlaten van de cinemazaal blijft Mark Brown mijn kijken begeleiden door de dingen aan te wijzen. Met cinema als aandachtsoefening raakt mijn dagelijkse blik, film na film, steeds minder verdwaald.
Beeld uit 7 Walks with Mark Brown (Vincent Barré & Pierre Creton, 2024)

