Correspondence EN
12.02.2020
Voor liefde en eer

Hollis Frampton

Bus 99
Eaton, New York 13334

 

7 januari 1973

 

Mr Donald Richie
Curator Film
The Museum of Modern Art
11 West 53 Street
New York, New York 100019

 

Beste Donald,

Ik heb hier uw brief van 13 december 1972, waarin u mij de eer schenkt volgende maart een complete retrospectieve te organiseren. Laat mij vooreerst benadrukken dat ik ‘in principe’ akkoord ben met uw voorstel. Sterker nog: dat ik het ten zeerste waardeer om in het door u genoemde gezelschap te kunnen vertoeven. Ik ben geroerd te zien dat de data die u voorstelt precies vallen tijdens de periode rond mijn zevenendertigste verjaardag. Ik ben ook gevleid door uw voorstel om toelichtingen te schrijven.

Maar dit gezegd zijnde, moet ik verdergaan om u op enkele knelpunten te wijzen. 

Om te beginnen moet ik u botweg melden dat iedereen, zowel instituties als individuen, de vrijheid heeft om een complete retrospectieve van mijn werk te organiseren. Daarvoor is mijn toestemming niet vereist, noch zelfs maar een voorafgaande kennisgeving. U zou moeten weten, net zoals ik, dat al mijn werk wordt gedistribueerd door de ‘Film-Makers’ Cooperative’, en dat het beschikbaar is voor ontlening door iedere partij die in goed vertrouwen de verantwoordelijkheid neemt voor de kopieën en de prijs voor de huur op zich neemt. 

Iets anders dan de wens om mijn werk te tonen moet dus in het spel zijn wanneer u me schrijft. En inderdaad opent u uw tweede paragraaf met een duidelijke verwijzing naar dat ‘iets’ wanneer u zegt: “Het is allemaal voor de liefde en de eer, en er is geen geld bij betrokken…”

Oké. Laten we beginnen bij liefde, waar het voor iedereen begon. Ik heb minstens een decennium van het enige leven dat ik mag hopen te leiden gewijd aan het maken van films. Ik heb dit werk de beste energie van mijn bewustzijn geschonken. En om hiermee verder te kunnen gaan heb ik een levensstandaard geaccepteerd… net zoals de meeste kunstenaars dat accepteren (en met hetzelfde plezier) … die de meeste andere Amerikanen uit de werkende klasse minderwaardig vinden: ik heb al mijn materiële middelen, om hoeveel het ook mag gaan, ingezet voor mijn kunst. 

Natuurlijk zijn deze middelen niet onbeperkt. Maar het staat vast dat ik het werk heb gemaakt, op eigen initiatief, niet om iemand een plezier te doen en vasthoudend aan mijn eigen inzicht in de canons van mijn kunstvorm. Toont dat geen liefde? En wanneer dat niet zo is, hoeveel méér moet ik dan doen om het te bewijzen? En wie (onder de levenden) kan mij beoordelen? 

Nu, over eer. Ik heb gezegd dat ik me bewust ben van en waardering heb voor de eer die u me bewijst. Maar hoe zit het met de eer die mijn kunst toekomt? Ik waag te opperen dat er een tijd zou kunnen komen waarin de gehele kunstgeschiedenis slechts een voetnoot zal zijn van de filmgeschiedenis… of wat daaruit zal voortkomen. Nu al, in minder dan een eeuw, heeft de film grootse monumenten van gepassioneerde intelligentie voortgebracht. Wanneer we zeggen dat we zo’n ontluikende traditie eren, bevestigen we ons verlangen dat die blijft voortbestaan.

Maar die kan niet voortbestaan op basis van liefde en eer alleen. En dit brengt me bij uw “… er is geen geld bij betrokken…”. 

Ik zal het aan u voorleggen als een probleem van rechtvaardigheid. Ik heb, laten we zeggen, zo en zoveel films gemaakt. Dat betekent dat zo en zoveel duizenden meters pellicule zijn gebruikt, waarvoor ik de fabrikant heb betaald. Het filmlaboratorium werd betaald door mijzelf, om de pellicule te laten ontwikkelen nadat het was belicht in een camera die ik heb betaald. De lenzenslijpers werden betaald. Daarna monteerde ik het beeldmateriaal, op spoelen en met een splitter waarvoor ik heb betaald, gebruikte daarbij een aanloopstrook en lijm, waar ik ook voor heb betaald. De postproductiebedrijven zijn ook betaald voor hun materiaal en hun service. Uzelf, hoewel magertjes, wordt betaald om te proberen me te overtuigen om mijn werk te tonen aan een betalend publiek in ruil voor “liefde en eer”. Wanneer het zover is, zal de filmoperateur betaald worden. De medewerker aan de deur van de zaal zal betaald worden. Er is iemand geweest die heeft betaald voor het papier waarop uw brief aan mij werd geschreven, en voor de postzegel om hem te kunnen versturen. 

Dat betekent dat ik als individu met het maken van dit werk een inkomen heb gegenereerd voor een heel aantal mensen. Vermenigvuldig dit met zoveel andere kunstenaars als u maar kan bedenken. Vraag uzelf af of mijn lab bijvoorbeeld, mijn werk zou printen in ruil voor “liefde en eer”. Als ik het hen zou vragen en wanneer ze mijn vraag serieus zouden nemen, zouden ze me zeer vriendelijk uitleggen dat mensen een compensatie verwachten voor hun werk. De reden is eenvoudigweg omdat dat hen in staat stelt om door te gaan met hun werk. 

Maar het lijkt erop dat, terwijl al die anderen betaald zullen worden voor hun aandeel in een vertoning die niet had kunnen plaatsvinden zonder mij, ikzelf, de kunstenaar, ondanks alles niet betaald zal worden. 

En inderdaad lijkt het onmogelijk om een kunstenaar te betalen voor zijn werk als kunstenaar. Ik heb lesgegeven, lezingen gegeven, geschreven, gewerkt als technieker… en voor al deze nevenactiviteiten werd ik betaald, ben ik voor mijn werk gecompenseerd. Maar als kunstenaar werd ik slechts zeer zelden betaald.

Ik zal u over dit onderwerp wat meer informatie verschaffen:

Kwestie: wij filmmakers staan een klein beetje in contact met elkaar, er is tenminste een ‘netwerk’, dat twee of drie decennia geleden nog niet bestond, toen het Museum of Modern Art (toen bestaande uit een ander team, natuurlijk) filmmakers van de generatie van Maya Deren tegen elkaar opzette en niet enkel vertoningen, maar ook allerlei rechten verkreeg, voor niets.

Nou, Maya Deren is jong gestorven, in omstandigheden van ontbering. Ik laat het aan uw inschatting over of haar leven verlengd had kunnen worden dankzij een paar duiten. Een beetje geld had haar in ieder geval geholpen met haar werk: ik herinner me nog altijd met verdriet de posters die her en der opgeplakt waren toen ik in New York aankwam, waarmee ze geld vroeg voor de voltooiing van The Very Eye of Night. Ik zou er alles voor doen opdat dat met mij of enige andere kunstenaar die ik ken niet zou gebeuren. 

En ik weet dat Stan Brakhage (zijn correspondentie met Willard Van Dyke is openbaar) en Shirley Clark niet zonder compensatie bleven toen hun werk werd vertoond in het Museum. Ik weet niets over Bruce Baillie, maar ik vraag me ten zeerste af of hij rijk genoeg is om op eigen kosten van de Westkust af te reizen in ruil voor welke hoeveelheid liefde en eer dan ook (en niets meer). En uiteraard, wanneer een van deze drie enig bedrag kreeg (ik herhaal, het is geld dat ons in staat stelt om verder te werken) dan kregen ze een oneindig groter bedrag dan wat u mij aanbiedt. Dat brengt ons voorbij ieder kwalitatief argument. Het is gewoonweg een onvoorstelbare besparing op de uitbetaling. 

Kwestie: dat ik niet in New York City woon. Noch komt de periode die u mij noemt ‘gelegen’. Ik zal dit komende semester elke donderdag en vrijdag lesgeven in Buffalo, zodat ik vooral een programma op zaterdag in het Museum hoop te kunnen bijwonen. Stelt u voor dat ik met de auto kom? De afstand bedraagt ruim zeshonderd kilometer en waar ik woon is het weer in maart onvoorspelbaar. Zal ik op eigen kosten met het vliegtuig komen om een publiek te ontmoeten dat, zo weet ik uit eigen ervaring, in het beste geval vooral ongeïnteresseerd is en in het slechtste geval provinciaal en onbeleefd? 

Kwestie: ik heb begrepen dat filmmakers die zijn uitgenodigd voor uw ‘Cineprobe’-programma’s momenteel een honorarium ontvangen. Hoe komt het dan dat mij niet dezelfde gunst wordt verleend?

Goed. Nu ik breedsprakig ben geweest, zal ik proberen bondig te zijn. Ik stel u de volgende punten voor ter discussie:

1] Ik begrijp, wederom, dat het beleid van het Museum of Modern Art inhoudt dat er geen huur betaald wordt voor films. Ik ben me er zeer van bewust dat wanneer het museum ons, onafhankelijke filmmakers, zou betalen, het ook verplicht zou zijn om huurprijzen te betalen aan de Hollywoodstudio’s. Omdat we nu eenmaal leven in een systeem van vrije ondernemingen, vrijwaart het Museum kunstenaars op deze manier tegen de ethische horror van een oneerlijke concurrentiestrijd met Metro-Goldwyn-Mayer en dergelijke. (Ik nodig iedereen uit om op menselijke wijze de logica van zo een redenering te onderzoeken.) Desalniettemin bied ik u de mogelijkheid om mij de helft van de prijzen die in mijn catalogus vermeld staan te betalen voor de verschillende screenings die elke filmprint waarschijnlijk zal ondergaan. U kunt dit geld noemen hoe u wilt: een beurs, een donatie, smeergeld, of dividenden van mijn aandeel in de Westerse Beschaving… en ik zal het nederig aanvaarden. Het exacte bedrag in kwestie is $266,88, plus $54,- voor de schoonmaakservice, die ik verschuldigd zal zijn aan de Film-Makers’ Cooperative voor hun diensten, wanneer mijn prints geretourneerd worden. 

2] Wanneer er van mij verwacht wordt dat ik kom opdagen tijdens de periode die u voorstelt, dan moeten de kosten voor een retourvlucht plus transportkosten over land tussen Buffalo en Manhattan gedekt worden. Ik zal zelf alle andere mogelijke onkosten voor mijn rekening nemen. Ik denk dat dit rond de $90,- zal zijn, later te bevestigen.

3] Wanneer ik mijn werk toelicht, moet ik hetzelfde honorarium krijgen als eenieder die een ‘Cineprobe’ doet. Verbeter mij als ik het fout heb, maar ik denk dat dit $150,- is. 

4] Ten slotte wil ik u vragen zo snel mogelijk te antwoorden. Ik heb maar een beperkt aantal prints ter beschikking, waarvan er sommige mogelijk al besproken zijn voor verhuur tijdens de periode die u aangeeft. Aangezien ik me in principe inzet voor deze retrospectieve, zou een uitstel kunnen betekenen dat ik speciaal voor de gelegenheid nieuwe prints zal moeten maken; terwijl ik de vermindering van mijn fondsen zo veel mogelijk wil beperken, aangezien ik die fondsen nodig heb om nieuw werk te maken. 

Neem alstublieft in acht, Donald, dat hetgeen ik hierboven heb geschreven een lijst van verzoeken is. Ik spreek niet van eisen, die enkel gesteld kunnen worden door hen die gedwongen worden te onderhandelen. 

Maar u moet ook begrijpen dat over deze verzoeken niet onderhandeld kan worden: onderhandelen is vernederd worden. Juist hierover te onderhandelen betekent de acceptatie van vernedering namens anderen wier noden en onzekerheden zelfs nog groter zijn dan de mijne. 

U bent natuurlijk niet gedwongen om te onderhandelen. U bent vrij. En aangezien ik dit ook ben, is de kwestie open voor discussie op het vlak van procedure, zo niet van inhoud. 

Ik hoop dat we snel tot een overeenkomst kunnen komen. Ik hoop dit uit liefde voor mijn bevochten kunst en omdat ik allen eer die haar nastreven. Maar als we hier niet in slagen, zal ik met spijt moeten zeggen, hoezeer ik ook zou willen dat het plaatsvindt, dat een retrospectieve van mijn werk in het Museum for Modern Art niet mogelijk is. 

Zegeningen,

Hollis Frampton

Met dank aan Will Faller en de Hollis Frampton Estate