← Part of the Issue: Mijn gefilmde leven

Een tweede eeuw voor de cinema

De films die ik gemaakt heb en die niet bestaan

VERTAALD DOOR TRANSLATED BY TRADUIT PAR Sis Matthé

Tentatives de se décrire (Boris Lehman, 2005)

Zien en horen

Zien volstaat niet voor mij. Voor mij is filmen allereerst tonen wat ik gezien heb, een ervaring delen dus, en iets geven dat ik genomen heb, dat ervoor al bestond en dat ik gevonden of (opnieuw) samengesteld heb: doorgeven, enscenering, creatie.

Deze waarnemingen en geluiden – stukken van levens/fragmenten van tijd – worden dan bijeengebracht door de ander – de kijker, het publiek – die op zijn beurt neemt en doorgeeft. Enzovoort.

Filmen is natuurlijk vastleggen op pellicule, op een drager (celluloid of magnetisch). Maar vaak is de techniek niet klaar, nog niet aanwezig wanneer ik iets zie. De film ontrolt zich zonder dat hij vastgelegd kan worden en verdwijnt aanstonds. Duizenden beelden die op mijn dagelijkse pad op die manier gezien en verdwenen zijn, voor altijd verloren.

Maar ik heb geen spijt. Het avontuur begint precies wanneer het besef van dit verlies me dwingt om ze terug te zoeken en te vinden.

Een aantal films ontstaan op die manier en getuigen van alle andere die niet bestaan. Het werk verwijst steeds naar iets dat erbuiten ligt, iets essentiëlers dat ongrijpbaar blijft. Het geleefde origineel.

Het zou niets uithalen om een camera in mijn ogen in te planten, om de hele tijd te filmen. Want alles filmen komt neer op helemaal niets filmen. Ik geef niets om al die hedendaagse technieken (video bijvoorbeeld) die mij in staat stellen om “beter en sneller te filmen”. De tijd om iets te creëren zal nooit ingekort kunnen worden.

 

Hoe ik sommige van mijn films gemaakt heb

Buiten de kwestie van de onmogelijkheid van de seksuele verhouding is de centrale vraag in mijn films: wat te doen met de assen van wat in rook opgaat, hoe ervoor te zorgen dat ze niet uitgestrooid worden, hoe ze door te geven? Geen bekommernis om onvergankelijkheid of vereeuwiging, maar om sporen, overblijfsels, herinnering. Mijn afstamming en geestelijk vaderschap, als het ware. Ik film het vluchtige niet om het te vereeuwigen; de inzet is het doorgeven, ik gooi flessen in zee.

Voor onze neus verdwijnt alles vandaag veel sneller dan gisteren. Door zuur aangevreten boeken, verpulverde films, gewiste magneetbanden, huizen, monumenten en landschappen bedreigd met vernieling en instorting, door kanker en aids verwoeste menselijke lichamen, ... Onmachtig zijn wij getuige van het verlies van onze wortels en de onmogelijkheid van een toekomst. Niets meer dan een gehaast heden, een versneld doorbladeren, een tot consumptie gereduceerd leven waaruit elk denken en elk genot inmiddels zijn verbannen.

Dit heden film ik de hele tijd, terwijl het verdwijnt. Ondanks mezelf word ik de archeoloog van morgen. In L'homme de terre vervaardigt Paulus Brun een aarden dubbelganger van mij en film ik deze constructie vooraleer ik ze vernietig, uitwis, wegvaag. Hetzelfde geldt voor de karper uit mijn film Muet comme une carpe, die eerst gevangen wordt, vervolgens in stukken gesneden en dan opgegeten.

Altijd verschijnt er iets, om dan te verdwijnen. Ik strooi in groten getale breekbare spiegels rond die uiteindelijk breken, fragmenten van mezelf meevoeren die iemand ergens ooit bijeenraapt en reconstrueert.

Die vastgelegde, gevangen en vervolgens bewaarde rafels van het heden lijken op de botten die een paleontoloog geduldig bestudeert om een verloren of verdwenen dier te reconstrueren.

Hoe zal ik zeggen hoe ik het doe? Wat ik wil? Ik wil niets. Ik kan het niet zeggen. Omdat zeggen geen doen is. Ik ga, dat is alles.

Ik ga zien, ik red me wel.

Heel even zijn de angst en de benauwdheid verslagen.

Filmen, wachten, vaak langs dezelfde plekken passeren... ik smeed banden, ik film iets dat me in staat stelt om iets anders te filmen, om terug te keren, om mijn werk verder te zetten.

De benadering is voorzichtig en geleidelijk. Ik film eerst het gemakkelijkste, het meest evidente en zonder twijfel het meest oppervlakkige. Ik heb het nodig om mezelf gerust te stellen, om te oefenen, om mezelf te testen. Als het niet lukt, dan dring ik niet verder aan, dan geef ik op en ga ergens anders kijken. En anders zet ik door, keer ik terug, draai ik rond datgene waar ik voor sta en waarmee ik uiteindelijk samensmelt. Mijn visie is kosmogonisch. Wanneer ik een kop koffie film, film ik het universum.

Ongetwijfeld heb ik mezelf een onmogelijke taak opgelegd. Elk van mijn films is een uitdaging, een utopie, een megalomaan project. Mijn verlangen naar totaliteit en mijn neiging naar encyclopedisme gepaard met mijn schrik om alles te missen brengen me in een soort van trance waarin enkel de cinema me nog kan redden van mijn moedeloosheid, mijn ontevredenheid, mijn wanhoop. Ik stort me op een waanzinnig werk zonder begin of einde. Ik begin niets meer en ik beëindig nooit iets. Ik ga voort, zonder nog te willen stoppen.

 

De misverstanden zullen blijven bestaan

Ze hebben mij “cineast” genoemd. “Hij heeft een film gemaakt over Arié Mandelbaum.”

Nee, ik ben geen cineast. U vraagt me wat een cineast is? Zonder in woordspelletjes te vervallen zou ik zeggen dat ik film – dat ik zelfs niet stop met filmen. Wat films maken betreft: het heeft me altijd toegeschenen als een bezigheid die gedoemd is tot middelmatigheid en noodzakelijk onderdeel is van een op winst gericht en/of artistiek systeem.

Als ik ondanks alles cineast ben, dan ben ik geen cineast zoals de anderen. Een holle en pretentieuze formulering, ongetwijfeld, die door iedereen uitgesproken kan worden zonder iemand mee in bad te trekken. Filmen is voor mij zo’n heilige en dagelijkse handeling geworden. Zo’n noodzakelijke handeling, op hetzelfde niveau als bewegen, eten, slapen. Kan je snappen dat ik tienduizend kilometer afleg om een close-up van een waterdruppel te filmen, dat ik tien jaar of langer wacht om een hemdsknoop of een stuk muur te filmen, dat ik zelfs een camera nodig heb als ik naar de dokter ga?

Beelden maak ik dagelijks. Geen nood aan een scenario, een opdracht of een voorschot, noch aan auteursrechten of een gouden palm. De dingen die er zijn volstaan voor mij, zoals appels volstonden voor Cézanne.

 

Ik maak mijn films niet; ik word door hen gemaakt

Ik zou graag elke nutteloze bemiddeling tussen het beeld en mij willen wegnemen. Zodat het project zou bestaan uit de film, ontdaan van alle last: geld, intenties, pretentie, kunst, psychologie ..., om alleen nog te vechten met het archaïsche systeem van het cinemamechanisme: zwaar, repetitief, hypnotiserend en rumoerig. De eenzaamheid – en het lijden – van de cineast (en dus ook zijn plezier) begint bij het gewicht van de filmrollen die hij rondzeult. Het ruw materiaal van het werk dragen (ik weet niet waarom, maar ik heb altijd geprobeerd om mezelf voor te stellen hoe Beethoven een hele symfonie in zich droeg) en het camera- en geluidsmateriaal dragen stellen me in staat om te voelen wat een opname en een verplaatsing precies betekenen. Een shot en een camerabeweging moeten voor mij een beloning zijn voor een fysieke inspanning. Wat je draagt, geeft je vorm. Zwaarte is, denk ik, altijd iets positiefs geweest. Kijk maar naar de fotografen uit de vorige eeuw, de eerste regisseurs van filmactualiteiten. Ze moesten het apparaat op een statief zetten en lang poseren zonder te bewegen. Zo wonnen de beelden aan kracht, aan precisie, aan vanzelfsprekendheid en aan waarheid. Vandaag bestaat er een neiging tot luiheid en snelheid. Ze raken hun apparatuur niet meer aan. Als het resultaat te onmiddellijk is, dan raakt het meteen weer vergeten. Zonder vertraging is er geen droom of magie meer.

 

Wandelen, filmen

De cameraman die vraagt: “Wat zijn we aan het draaien?”, kan ik enkel antwoorden: “We draaien!” Voor ik mijn film bedenk, moet ik hem ondervinden.

En om dat te doen, is het nodig om bochtige routes te nemen, om te vertrekken, te verhuizen, om duizend omwegen af te leggen, om verschillende keren op hetzelfde punt uit te komen, om af te dwalen ...

Wandelen is mijn manier van functioneren. Is een wandeling niet de voorbode van een (reële en imaginaire) reis en tegelijk een soort van onthulling van het zijn? Al wandelend geraken we vooruit, van onze geboorte tot aan onze dood, treden we uit de schaduw, uit de duisternis, uit onze schuilplaats, uit ons hol, om als een onbedachtzaam Klein Duimpje te verdwalen in de natuur en in de wereld. Wandelen. Halt houden en kijken. Een maagdelijke manier van kijken, zonder scenario. Het denken komt al wandelend. Peripatetici. Herzog, Rousseau, ronddwalend, Walser, Lenz, ... Zou de voetganger de literatuur aanbelangen (terwijl de cinema onvermijdelijk beroep doet op andere transportmiddelen: paard, trein, auto en vliegtuig)? Ben ik dan eigenlijk geen schrijver van de cinema?

Een van de mooiste manieren om de natuur te respecteren is om haar te filmen. Haar in beeld te nemen zonder haar te nemen, haar te strelen zonder haar aan te raken, zonder haar planten uit te trekken of haar insecten te doden. Haar te verplaatsen en tegelijkertijd intact te laten. Slechts een spoor van mijn passage, een indruk. Een daad van liefde.

Wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedacht? Wat ben ik geweest? Hier en nu, vroeger. Wat blijft er over van mijn omzwervingen en mijn indrukken?

Als ik niet film, dan zie ik niets, onthoud ik niets, bomen noch gezichten. Als ik ze film, kan ik ze vergeten. Mijn film is mijn geheugen, een catalogus van feiten en gebaren, een (zeer onvolledige) inventaris van mijn leven.

 

Op dat moment daar zijn

“Waarom heb je dat getoond?” (de gebruikelijke vraag van de kijker, maar ook van de monteur en de producent).

Ik heb het gedaan omdat ik op dat moment daar was. Ik wist niet dat ik het ging doen voor ik het deed. “Waarin ben jij eigenlijk geïnteresseerd?”

In alles wat ik doormaak. Ik ben nieuwsgierig naar alles.

Ik interesseer me niet specifiek voor mijn geboorte, de Begijnhofwijk, het bereiden van gevulde karper of de schilderijen van Arié Mandelbaum. Al die films zijn ontstaan als gevolg van ontmoetingen, ontdekkingen, omstandigheden. Ik had telkens een impuls nodig en dan een bepaalde productie, discipline, koppigheid en veel geduld ... De vraag naar het onderwerp heb ik mezelf nooit gesteld. Het echte onderwerp ben ik altijd zelf geweest.

Ik wil dat beeld van een filmmaker niet, van degene die films maakt en toont. Zelfs wanneer ik stop met filmen, maak ik nog steeds cinema. Mijn films stoppen niet bij de opnames. Ze gaan verder, de hele tijd, op elk moment. Ik rust nooit uit na een draaiperiode. Wanneer ik met een vriendin op de buiten ga wandelen, dan ben ik nog steeds aan het filmen. Wanneer ik een stuk taart eet in mijn stamcafé, dan film ik, maak ik nieuwe plannen, maak ik volgende afspraken.

Voorbereiding noch rust. Mijn films vergezellen mij de hele tijd.

 

Voorbereiding

Ik bereid een opname niet voor. Ze komt, ze dient zich aan. We zouden eerder kunnen spreken van wachten: ik wacht tot de opname naar mij komt. Al mogen we voorbereiding niet verwarren met toebereidselen.

Deze voorbereiding en deze rijpingstijd worden niet door een soort luiheid tot stand gebracht, maar door een actieve ledigheid, door verplicht de tijd te doden. Meer bepaald door een spanning die haar hoogtepunt bereikt. Zoals een spotter die op de loer ligt en hoopt om een roofvogel te zien opduiken die zich op zijn prooi stort of het gebrul van een hert te horen. Je moet er zijn, op de juiste plaats en op het juiste moment. Ik herhaal: zonder scenario. Want het idee moet nieuw en intact gehouden worden, net zoals de schrik, de angst om het te actualiseren. Een filmmaker kan niet veranderen in een schrijver, een boekhouder of een vertegenwoordiger (ook al gebeurt het natuurlijk dat ik al deze functies cumuleer). Een scenario is niet meer dan houvast, een stuk ter verleiding of een omniumverzekering bestemd voor de ambtenaren die ze moeten beoordelen en klasseren (volgens hun levensvatbaarheid, hun rendabiliteit, hun kans op succes ...), voor regisseurs die niet in staat om te regisseren en voor producenten, om hun kapitaal te beschermen tegen onverwachte omstandigheden, tegen grillen, tegen weer en wind.

Welnu, elke creatie bestaat enkel uit onverwachte omstandigheden, uit probeersels, uit aarzelingen, uit fouten en uit improvisatie, uit intuïtie, uit poëzie en uit ontdekkingen, uit al wat niet uitgelegd, gecontroleerd, voorbereid of beheerst kan worden.

Bij mij zijn de uitvoeringsfases onlosmakelijk en nauw met elkaar verbonden, vermengd: schrijven, filmlocaties zoeken, productie, onderzoek, draaien, montage en scenario vinden geleidelijk aan en tegelijkertijd plaats. De voorbereiding is ook de film. Ideeën duiken constant op, er is niet eerst iets en dan iets anders en daarna nog iets anders. De film is altijd onderhevig aan transformatie, een film in wording. De weg naar het onderwerp is zelfs een deel van het onderwerp, het is het onderwerp. Belangrijker dan het onderwerp zelf is het onderzoek, de zoektocht, de onthulling.

 

Wie maakt de film?

De cinema, een collectieve kunst. Een filmgeneriek die alle medewerkers vermeldt – en er veel vergeet – bestaat uit honderden namen. Die namen worden vergezeld door functies. Wat hebben ze gedaan? Wie zijn ze? Waar is de auteur?

In mijn films bestaat er nauwelijks een taakverdeling. Iedereen doet een beetje van alles. Natuurlijk kan je voor het gemak best een beeldverantwoordelijke en een geluidsverantwoordelijke aanduiden. En “de grote verantwoordelijke”, die als laatste op het schip (of de schuit) blijft, die geliefd of gehaat is eens de film af is. Vervolgens zijn er rollen die op het scherm verschijnen en rollen die mij achter de camera helpen organiseren, orkestreren, de touwtjes en puzzelstukjes in handen houden, assistenten, regisseurs, producenten, ...

Elke persoon die in mijn films verschijnt, speelt als het ware “zijn eigen rol” – ik werk niet met professionele acteurs. Die personen geven mij een stuk van henzelf, wat voor mij, eerder dan een scenario, een echt cadeau is, dat deel van mezelf dat ik net probeer te vatten, dat me aantrekt en dat ik enkel via de ander kan vinden.

 

Een einde maken aan film als een product

Op de vraag “Wat doe je, Boris?” heb ik altijd het gevoel gehad dat ik kan antwoorden dat ik aan het draaien ben, dat ik druk bezig ben en dat ik tegelijkertijd niets aan het doen ben, dat ik totaal beschikbaar ben. In feite zou het op hetzelfde neerkomen om te zeggen: “Ik leef, ik adem.” Men zou willen dat werk altijd iets anders is dan het leven, een “terzijde”, een “bezigheid”, een “vrijetijdsbesteding”, een “beroep”.

“Mijn leven is het scenario geworden van een film die op zijn beurt mijn leven is geworden.”

Mijn leven filmen, of veeleer, filmend leven, dat is mijn motto geweest, en ook mijn poëtica tijdens de opnames van Babel – die tien jaar geduurd hebben –, een motto dat zijn weerslag heeft gehad op mijn andere films. De verwarring of zelfs versmelting van wat je beleeft en wat je filmt, maakt elk idee van een standaard, van genres of duur overbodig. Mijn films zijn kort noch lang. Het zijn documentaires noch fictiefilms. Ze vormen een en dezelfde film, een unieke film, een filmdagboek dat dag na dag is neergeschreven, met kleine stukjes en verzamelde kruimels (mijn motto: “elke dag een beetje”).

Daar is voor mij niets moderns aan, maar het is wel zo dat die ambachtelijke benadering dicht bij die van Jonas Mekas, Joseph Morder of Chris Marker ligt. Het mag duidelijk zijn dat plannen, technici inhuren, mijn cinema voorzien van een professionele praktische organisatie (filmploeg, uurrooster, productie) moeilijkheden geeft. Bijna iedereen verwerpt de gevraagde totale beschikbaarheid, die te verliezen tijd, aangezien ze ingaat tegen elke ethiek, esthetiek of economie van de cinema.

 

Cinemaleven

Waarop lijkt mijn cinema? Wat is Boris Lehmans cinema?

Misschien is het precies een cinema die zich een definitie zoekt, die aarzelt tussen de etnografische documentaire, de wetenschappelijke film, de experimentele fictie, de therapeutische film en de autobiografische film? Het is een ongemakkelijke cinema, die tussen twee stoelen zit, die stoort. Ik heb me overigens altijd afgevraagd waarom. Ik ben het tegenovergestelde van een provocateur. Ik denk dat ze mij mijn gedrag kwalijk nemen, mijn wanorde, mijn rebellie, mijn verzet, en ook het onaffe van wat ik doe, het feit dat het blijft duren, dat ze niet weten wanneer of hoe het gaat aflopen.

Ik voel me zeker aangetrokken tot extreme en primitieve vormen van cinema, tot een soort nulpunt dat vooral merkbaar is in de vroege cinema, in de amateurcinema of in een bepaalde avant-gardecinema.

Maar dat is slechts het vormelijke aspect. Er is nog iets anders. Mijn beelden verschillen niet zo erg van die van andere filmmakers.

Over het algemeen voelen kunstenaars zich verplicht om werken te maken en zodra hun werken af zijn, maken ze zich los van hun makers, die zo onteigend worden. Hun film kan getoond worden zonder hen, dat wil zeggen: buiten hen om. Dat kan ik niet aanvaarden, aangezien ik mijn werk ben.

Deze tekst verscheen oorspronkelijk als “Un second siècle pour le cinéma. Les films que j’ai faits et qui n’existent pas” in Artpress, 14 (1993).

Met dank aan Boris Lehman.

 

Seuls: Boris Lehman vindt plaats op donderdag 14 maart 2019 om 20u in KASKcinema. Meer informatie over de vertoning vind je hier.

ARTICLE
13.03.2019
NL FR EN
In Passage, Sabzian invites film critics, authors, filmmakers and spectators to send a text or fragment on cinema that left a lasting impression.
Pour Passage, Sabzian demande à des critiques de cinéma, auteurs, cinéastes et spectateurs un texte ou un fragment qui les a marqués.
In Passage vraagt Sabzian filmcritici, auteurs, filmmakers en toeschouwers naar een tekst of een fragment dat ooit een blijvende indruk op hen achterliet.
The Prisma section is a series of short reflections on cinema. A Prisma always has the same length – exactly 2000 characters – and is accompanied by one image. It is a short-distance exercise, a miniature text in which one detail or element is refracted into the spectrum of a larger idea or observation.
La rubrique Prisma est une série de courtes réflexions sur le cinéma. Tous les Prisma ont la même longueur – exactement 2000 caractères – et sont accompagnés d'une seule image. Exercices à courte distance, les Prisma consistent en un texte miniature dans lequel un détail ou élément se détache du spectre d'une penséée ou observation plus large.
De Prisma-rubriek is een reeks korte reflecties over cinema. Een Prisma heeft altijd dezelfde lengte – precies 2000 tekens – en wordt begeleid door één beeld. Een Prisma is een oefening op de korte afstand, een miniatuurtekst waarin één detail of element in het spectrum van een grotere gedachte of observatie breekt.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati zei ooit: “Ik wil dat de film begint op het moment dat je de cinemazaal verlaat.” Een film zet zich vast in je bewegingen en je manier van kijken. Na een film van Chaplin betrap je jezelf op klungelige sprongen, na een Rohmer is het altijd zomer en de geest van Chantal Akerman waart onomstotelijk rond in de keuken. In deze rubriek neemt een Sabzian-redactielid een film mee naar buiten en ontwaart kruisverbindingen tussen cinema en leven.