Naar boven, naar binnen, naar buiten, naar beneden
Over Hong Sangsoos What Does That Nature Say to You? (2025)
“Een goed verhaal laat zich in een paar zinnen vertellen,” staat er in de krant. Een goed verhaal heeft, met andere woorden, een kern die zo helder en duidelijk is dat het beknopt kan worden samengevat zonder er afbreuk aan te doen, een paar zinnen volstaan om aan te geven waar het werkelijk om gaat. Ook het verhaal van Hong Sangsoos What Does That Nature Say to You? (2025) laat zich eenvoudig samenvatten: in de loop van één dag rijdt een jongeman een berg op, betreedt een huis, gaat weer naar buiten en rijdt vervolgens de berg weer af. De vraag is of daarmee alles is gezegd.
Een film begint en loopt ten einde. Een film is, anders gezegd, een gemeenschappelijke reis waarin zowel personages als toeschouwers het vertrek- en eindpunt delen. Net als de personages, die doorgaans handelen om een bepaald doel te bereiken, tracht ook de toeschouwer de wereld waarin hij terechtkomt zo goed mogelijk te lezen. Waar gaat het naartoe met wat zich voor onze ogen ontvouwt? Het verhaal is dan vaak niet meer dan een opeenstapeling van de handelingen om die eindbestemming te bereiken, waarbij de personages als geleiders de blik van de toeschouwer meevoeren. Het einde van de film markeert de voltooiing van de handeling, en omgekeerd.
In What Does That Nature Say to You? begint het verhaal beneden aan een berg. Een jong koppel zit in een auto. Door het raam zien ze hoe de moeder van de jonge vrouw wegrijdt. Ze stappen uit, hij rookt een sigaret, samen kijken ze naar het huis boven op de berg, het huis van haar ouders. De jongeman zet zijn vriendin af, hij is niet van plan om te blijven. Dan nodigt zij hem uit om het huis toch even van dichtbij te bekijken. Haar ouders zijn er immers niet. “Als je snel even wilt kijken, ga je gang.” Ze verlaten het eerste honk van de film, beneden aan de berg, en gaan naar het volgende. De auto rijdt omhoog. Boven verschijnt de vader: hij is toch thuis. Nu staan ze met drie boven aan de weg. De vader ontdekt dat de jongeman, Donghwa, de vriend is van zijn dochter Junhee. Hij toont interesse in Donghwa’s oude auto en rijdt er even mee naar beneden. Opnieuw staan ze met twee boven, de vader is beneden. Dit is het drama zoals het zich tot dan toe heeft ontvouwd. “Als mijn vader terugkomt, zal hij ons naar binnen uitnodigen,” zegt Junhee. “Is dat goed voor je?” Donghwa ziet er weinig bezwaar in: “Tuurlijk, het is maar je vader ontmoeten.” Het verhaal van de film zet zich voort maar in een andere richting dan was vooropgesteld. Donghwa zet Junhee niet gewoon af, hij ontmoet ook haar hartelijke vader en wordt nu zelfs in het huis uitgenodigd. Daar blijkt zich nog een zus te bevinden die door “een moeilijke periode” gaat.
Hong deelt de film op in acht delen, aangeduid met cijfers, die geen inhoudelijke logica volgen, maar vooral een optelling van episodes vormen. In het tweede deel verhuist het koppel naar binnen. Junhee vertelt dat haar vader hen heeft uitgenodigd om vanavond te blijven eten; haar moeder zal er ook zijn. Donghwa heeft zich nu niet alleen ruimtelijk verplaatst, hij zal ook, anders dan gepland, meer tijd doorbrengen in het huis op de berg.
Een film begint en loopt ten einde. Tussen dat begin- en eindpunt loopt dus een lijn. Hoe fragmentarisch, episodisch of non-lineair een vertelling ook loopt, de film wordt steeds chronologisch, van A naar B, bekeken en beschouwd. Anders dan in veel andere films van Hong wordt de chronologische volgorde van de gebeurtenissen zelf in deze film niet doorbroken: een jongeman gaat een berg op en af. Maar wat er op dat traject gebeurt, is minder eenlijnig. Op elk moment laat Hong ontelbare narratieve lijnen ontstaan. Achter elke deur, elk woord, elke blik kan zich een nieuwe ontvouwen. Door die voortdurende vertakkingen gebeurt er nooit echt iets dat de richting van de lijn finaal bepaalt. Er is geen vooropgezet plan om naar boven, naar binnen, naar buiten, en terug naar beneden te gaan. De enige lijn die zich onvermijdelijk vormt, is die van een dag en een nacht. Die onvermijdelijkheid van het circadiaanse ritme bepaalt ook hoe het uiteindelijke traject zich vormt: “Blijf je eten?” “Blijf je slapen?” Onbedoeld ontstaat zo een situatie waarin “iets” lijkt te gebeuren.
“Ga je even mee naar buiten om een sigaretje te roken?” vraagt de vader aan Donghwa. “Kom je even naar boven?” vraagt de zus aan Junhee. Buiten, bij de kippen, spreekt de vader Donghwa aan over diens poëzie, terwijl de zus Junhee binnen in haar kamer vragen stelt over hun relatie. Daarna nodigt de vader Donghwa uit om nog iets hoger op de berg te gaan en daar nog één sigaretje te roken, voordat ze terug naar beneden en naar binnen gaan.
Stap voor stap ontstaat een schokkerig verhaal, waarvan de beweging niet dwangmatig is maar een spel van verschuivingen volgt, ontleend aan de structuur van een plattegrond. De jonge dichter beweegt zich van honk naar honk: van de auto beneden aan de berg naar de oprit naast het huis, van de zetel binnenshuis naar de kippenren in de tuin. Vanaf een afstand oogt de opzet klassiek: zoals in Meet the Parents, Jay Roachs romantische komedie uit 2000, ontmoet een jonge man zijn schoonouders in het ouderlijke huis van zijn vriendin. Maar anders dan in de Hollywoodfilm, waar een komisch conflict tussen vader en schoonzoon de narratieve motor vormt, is dit geen “officieel” bezoek. “Het is niets. Hij is gewoon meegekomen omdat hij me een lift gaf,” laat Junhee haar zus weten. Op geen enkel punt ontstaat er een drama dat de film in een finale plooi legt. Donghwa kan op elk moment vertrekken en de hele situatie laten voor wat die is. Wat zich narratief heeft opgebouwd, kan zich altijd opheffen. Hong bewaart de uitstapbaarheid van zijn intentie. In de meanderende gesprekken tussen de familieleden en Donghwa ontstaat er een ondoorzichtig struikgewas dat nooit uiteenvalt in duidelijke narratieve knooppunten.
Want er gebeurt niet niets. Voortdurend projecteert de kijker een mogelijke oriëntatie: Is er animositeit tussen vader en “schoonzoon”? Loopt het goed tussen het koppel? Hebben ze huwelijksplannen? Zijn de ouders ingenomen met hun mogelijk toekomstige schoonzoon? Is het een probleem dat de moeder, net als Donghwa, ook dichter is? Wat zal er gebeuren met de zogenaamd depressieve zus, die eigenlijk niet depressief lijkt? Heeft Donghwa zelf een problematische relatie met zijn vader, een beroemde advocaat? Al die vragen openen trajecten voor een verhaal dat zich uiteindelijk meer vertoont als een spiegelpaleis van mogelijkheden, waarin wellicht geen ultieme uitgang te vinden is.
Toch lijkt Hong voortdurend de weg te wijzen, bijvoorbeeld door via de dialoog van zijn personages sleutels aan te reiken die ogenschijnlijk het slot van zijn intentie openen. “Een beetje wazigheid is voor mij oké.” Zo begint het derde deel. Is hier de dichter aan het woord, die zijn beperkt zicht beschrijft, of fungeert hij als buikspreker voor Hongs visie op cinema? Welke draad mag de kijker volgen? “Leven terwijl je schoonheid nastreeft is toch iets goeds, nietwaar?” zegt de jonge dichter later. Is hier Hong aan het woord, die zijn eigen artistieke levensethiek wil overbrengen?
Elk verhaal is uiteindelijk vermomde buiksprekerij, een spel tussen wat er te zien en te horen is en wat de filmmaker eigenlijk wil zeggen. Wat er gebeurt is niet wat het betekent, het tweede vloeit voort uit het eerste. Hong draait dit om: wat het betekent is wat er gebeurt, en het is niet echt helemaal duidelijk wat er gebeurt. Het enige dat zeker is, is dat een jongeman de berg opgaat, een huis betreedt en er de volgende dag weer vertrekt. Hong wil eigenlijk helemaal niets zeggen.
De vader stelt voor dat de zussen en Donghwa ergens buiten gaan lunchen. Een nieuw pad opent zich, al is het tijdelijk: ’s avonds worden ze verwacht voor het avondeten. Ze laten het huis op de berg dus niet echt achter zich. Wat levert dit uitstapje op? Zal het gesprek tijdens de lunch met de zus een conflict veroorzaken? In hun onderlinge gesprekken dansen de personages voortdurend op een koord, waarbij elk onthuld geheim, elke ongeoorloofde opmerking of ontboezeming het fragiele evenwicht kan verstoren, niet alleen in de voorzichtige interactie tussen de personages, maar ook in de film zelf. Alles blijft op de vlakte. Die stuurloosheid blijft opgesloten in de vorm van de film. De lange, ononderbroken shots bieden geen kompas en zorgen voor een cumulatieve montage van slingerende gesprekken waarin weinig opgezet wordt of moet renderen.
Tijdens een bezoek aan een tempel krijgt Junhee telefoon van haar vader, die hen terugroept naar het huis op de berg. Haar moeder is al thuis en aan het koken geslagen. Donghwa zal dus in elk geval moeten blijven voor het avondeten. Dit diner biedt desondanks een zeker punt van convergentie. Iedereen zit rond de tafel en er wordt gesproken over poëzie, de relatie van het jonge koppel en Donghwas relatie met zijn vader. Gevraagd naar waar hij op zoek is in zijn poëzie, geeft Donghwa een cryptisch antwoord over twee bomen die hij eerder die dag had gezien, de ene bij de tempel, de andere in de tuin op de berg, ooit geplant voor Junhees grootmoeder. “Misschien zijn die bomen op de een of andere manier met mij verbonden. Het is echt mysterieus, werkelijk.” Deze onverwachte, openhartige onthulling lijkt te resoneren met de titel – What Does That Nature Say to You?, maar misschien ook met Hongs fascinatie met Cézanne, een schilder die vanuit de concrete wereld vertrok, maar zowel wilde loskomen van een schools realisme als een eenzijdig subjectief standpunt. Hij wilde schilderen wat er aan hem verscheen, al kijkend over de tijd, zoekend naar een constructie en naar vormen die blijvend konden bestaan. Hij was, met andere woorden, net zoals Hong op zoek naar een beeld dat niet eenzijdig metaforisch was en zijn directe band met de materiële werkelijkheid behield.
Toch zorgt ook Donghwa’s poëtische interludium niet voor een grote doorbraak. De vader stelt voor om met Donghwa en Junhee de zonsondergang boven op de berg te bekijken. Terug beneden aan tafel loopt het gesprek verder goed, totdat de alcohol zijn werk doet. Een opmerking van de zus over zijn beroemde vader doet Donghwa zijn zelfbeheersing verliezen. Heel de film lang heeft hij zijn best gedaan om niets van betekenis te zeggen, maar hier lijkt zich toch een opening te vormen, als hij naar de zus roept: “Is dat werkelijk de enige manier waarop je mij kunt zien?” Is deze vraag ook aan ons gericht? Hoewel de personages getekend zijn als depressief, introvert, openhartig, beleefd of poëtisch, komt dat niet altijd overeen met hoe zij zich voordoen.
’s Nachts, terwijl hij zijn roes probeert uit te slapen, wordt Donghwa wakker en loopt even de tuin in. Met de zaklamp van zijn gsm schijnt hij op een blad van een boom om het goed te kunnen bekijken. Hij loopt verder de tuin in en hoort binnen Junhees vader gitaar spelen. Hij struikelt, maar staat weer op. Niemand lijkt hem gehoord te hebben. De volgende ochtend vertrekt hij vroeg. Tegen zijn vriendin zegt hij dat ze tegen haar ouders moet zeggen dat het hem spijt. Hij rijdt de berg af, weg van het huis. Maar toch ook niet. Op de snelweg valt de auto stil, hij heeft pech. Hij belt iemand om de auto op te halen. Is het Junhee of iemand anders? “Ja, dan laat ik het gewoon open, oké?” Een nieuwe weg tekent zich af, hij steekt een sigaret op. “Misschien moet ik de auto toch maar verkopen”, zegt hij nog en de film loopt ten einde.
Donghwa bracht uiteindelijk een lange dag door met zijn vriendin, schoonouders en haar zus. Het woord uiteindelijk is hier belangrijk: als de film eindigt, nadat de tijd tussen begin en einde is verstreken, is er een lange dag voorbijgegaan die niet bedoeld was om zo te verlopen. Had Donghwa zijn vriendin gewoon afgezet, dan zou deze uiteindelijke film zich nooit hebben ontvouwd zoals die nu bestaat. Hong organiseert een film als een accident, een verhaal dat per ongeluk ontstond en niet meer biedt dan het avontuur van de narratieve beweging zelf. Wat er letterlijk gebeurt, is ook het enige wat er uiteindelijk te vermelden valt: een jongeman rijdt een berg op, betreedt een huis, gaat weer naar buiten en rijdt vervolgens de berg weer af. Alles wat hij ondertussen meemaakt, lijkt zonder betekenis. Niet omdat er niets gebeurt, maar omdat er nauwelijks iets zinnigs over te zeggen valt.
Ergens in het midden van de film biedt Donghwa zijn vriendin zijn kijk op het leven:
– Opgroeien, ziek worden, sterven… we doen niets van dat alles. Het gebeurt gewoon. Het gebeurt gewoon. Het gebeurt nu eenmaal. We weten niets. Hoe hard we ook proberen te begrijpen, het lukt ons niet. Dat zal ook nooit zo zijn. Dus voel de dingen intens, wees dankbaar. Dat is alles wat er is.
Een wijsheid die ook lijkt te resoneren met Hongs eigen werk. Er hoeft in zijn films niet gezocht te worden naar iets dat zich niet laat begrijpen, de film moet bovenal worden gevoeld. Maar misschien is ook dat te haastig als conclusie, laat Junhee – en daarmee ook de kijker én de criticus? – Donghwa weten:
– Spreek gewoon niet zo absoluut over iets. Dat is ook een manier van doen alsof je iets weet. Weet je alles?
– Nee, ik zeg niet dat het zeker is. Ik zeg alleen dat ik niets weet, dat ik het niet snap.
– Dat is nog steeds een conclusie. Waarom houd je er zo van om niet zoveel te weten? En wat dan met alles wat je wél weet? Soms lijkt het gewoon alsof je “niet weten” gebruikt als een manier om te ontsnappen.
– Junhee, dit zijn gewoon gedachten waar ik steeds op terugkom.
Niet meer, niet minder.

Beelden uit Geu jayeoni nege mworago hani [What Does That Nature Say to You] (Hong Sangsoo, 2025)

