Article NL EN DE
13.04.2022
1 2 3
Straschek 1963-74 West-Berlijn

Deel 2

De titel van de tekst “Straschek 1963 – 74 West-Berlijn”, die hier voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt, is even eenvoudig als informatief: het is een subjectieve, zelfreflexieve inkijk in Günter Peter Strascheks elf jaar in West-Berlijn. Gedurende die periode was hij veel verschillende dingen: filmmaker, historicus, theoreticus, publicist, politiek actief in de protesten van 1968 en een van de eerste studenten aan de Deutsche Film- und Fernsehakademie Berlin [Duitse Film- en Televisieacademie Berlijn] (DFFB). Onder Strascheks medestudenten zaten mensen als Helke Sander, Harun Farocki, Hartmut Bitomsky, Johannes Beringer en Holger Meins. Zijn essay biedt een unieke inkijk in het filmesthetisch-theoretische debat en de praktisch-politieke discussies van een generatie filmmakers die het filmmaken in Duitsland fundamenteel zouden vernieuwen, en wier politieke en vormelijke experimenten de vorige generatie filmmakers van het Oberhausen Manifest bijzonder braaf deden lijken. De ervaringen en interesses die Straschek (°23 juli 1942, Graz) in deze periode opdeed, vloeien in zijn tekst voor Filmkritik samen tot één virtuoos samengebalde compositie. Straschek creëerde een constellatie van de meest uiteenlopende tekstsoorten: politiek-theoretische en filmesthetische beschouwingen, anekdotes, dagboekachtige notities, brieven of zelfs voederinstructies voor de kat van Danièle Huillet. Het is een tekstmontage die zo goed als elke filmtijdschriftredacteur vandaag wellicht aanzienlijk zou inkorten en vormelijk zou veranderen. De tekst dankt zijn verschijning in deze vorm aan de geest van de tijd, maar vooral aan de redactionele lijn van Filmkritik, in die tijd zonder twijfel het meest vooraanstaande filmtijdschrift in de Duitstalige wereld.

– Julian Volz1

(1) Günter Peter Straschek (midden), Carlos Bustamante (links) en Johannes Beringer (rechts) op de set van Labriola (1970). Foto: Michael Biron.

25.

Een fascist zijn uit domheid, schrijftafelcriminaliteit gekoppeld aan het opportunisme eigen aan acteurs om alles te doen voor een “goede rol”: daarbij kwam nog dat Veit Harlan een waardeloze regisseur was en Kristina Söderbaum een domme gans. Toch zou ik hier de vrijheid willen nemen om hen beiden te verdedigen, aangezien zij als plaatsvervangers en bliksemafleiders het gelag moesten betalen voor een hoop nazismeerlapperij. Tientallen kruiperige meelopers hebben Harlan gebruikt om hun eigen naam te zuiveren. Slechts één voorbeeld: volgens Harlans verklaring aan de regisseur Franz M. zou de acteur Albrecht Schoenhals twee keer gesolliciteerd hebben voor de rol van de jood Süss; voor Harlan was hij gewoon “niet goed genoeg”; tegenwoordig doet Schoenhals zich voor als “antifascist” en beschuldigt hij Harlan in rechtszaken. Er waren niet zoveel nazi’s in de film- en theaterindustrie (Maria Paudler of Hilde Krahl, Carl Auen of Eugen Rex) als men geneigd is te geloven, en nog veel minder antifascisten. Een apolitieke en nouveau riche-laag van de maatschappij, enkel geïnteresseerd in materiële zekerheid en maatschappelijke erkenning, zijn de meesten van hen bereid voor eender wie te spelen zolang ze hun eigen vrijheden maar kunnen behouden. Dat was gedeeltelijk het geval voor het film- en theatervolkje tijdens het nazitijdperk. Men moet vandaag niet doen alsof die arme kunstenaars zwaar hebben geleden onder het terreurregime. Wel integendeel: het was subjectief gezien hun mooiste tijd, precies omwille van hun economische + artistieke (nadat de joodse concurrentie was verjaagd) voorspoed als speciaal soort middenklasse. “Een zware nazi”, “apolitiek” of “altijd tegen Adolf”: in onze branche van hetzelfde laken een pak. Dat is de enige reden waarom ik voor Harlan & Söderbaum in de bres zou springen.

[Het verheugt mij te horen dat Kortner naar verluidt bereid was om Harlan in het openbaar de hand te schudden in een chic Münchens hotel. Hij zag ervan af “omdat hij dan de rest van zijn leven brieven zou moeten schrijven, zowel aan mijn vrienden als aan mijn vijanden”.]

26.

Ik werd geboren in Graz op 23 juli 1942 en ik verliet Oostenrijk op negentienjarige leeftijd. In 1963 verhuisde ik naar West-Berlijn. De jaren daartussen was ik onderweg. Het rondliften door Griekenland, Turkije, Israël en de meeste West-Europese landen was een manier om los te breken en heb ik altijd ervaren als een bevrijding. Plots leerde ik heel andere omstandigheden, situaties, mensen, gedragswijzen, talen enzovoort kennen, moest ik me zien te redden met allerlei baantjes; ik werd gedwongen alles radicaal om te denken en te reorganiseren, van wat ik op school had geleerd was niets nog bruikbaar, alles was anders; terwijl ik in Graz vrouwloos was geweest, hoewel ik verlegen op een aantal meisjes verliefd was, maakte ik ook dat uitgebreid goed. Het was als een roes, als een kinderziekte, en pas in West-Berlijn begon ik er iets van te begrijpen. Sindsdien heb ik een Goetheaanse verhouding tot andere omgevingen.

27.

Mochten op televisie een half dozijn films uitgezonden worden van John Brahm of Edward Ludwig of Jacques Tourneur of Frank Borzage of Edgar George Ulmer – met de nodige zin voor wat bluf – dan zou dezelfde vertoning opgevoerd worden als onlangs bij Douglas Sirk. Eersteklas vaklui zouden gestileerd worden tot cinematografische genieën, de Cahiers du Cinéma van tien jaar geleden worden nog eens doorgebladerd en voor Enno P. en zijn vrouw zou het moment aanbreken om op een buitenlandse trein te springen en zich daar voor te doen als treinbestuurders. Als ik tijd en zin zou hebben, dan zou ik met Betacam en televisie van Ulmer de grootste regisseur sinds Griffith kunnen maken. [En mocht mijn financiële situatie opnieuw verslechteren, dan wil ik Hanser Verlag een monografie aanbieden over de Amerikaans-Indiaanse regisseur Horace “White Feather” McFarland (1883-1944).]

28.

Vanzelfsprekend ben ik een rasechte Oostenrijker (gebleven), wat blijkt uit mijn minachting voor mijn landgenoten en vaderland. Ik ken echt geen enkele andere staat die zich in de recente geschiedenis (in 1938) zo laaghartig heeft gedragen, er (in 1945) zo goedkoop en ongestraft mee is weggekomen en tot op de dag van vandaag elke vorm van inzicht uit de weg gaat en in plaats daarvan het lef heeft het aangevallen slachtoffer te spelen. Wat de Oostenrijkers uiteindelijk stoorde aan het nazisme was dat het door de moffen zo slordig geleid werd. Nergens ter wereld is er nog zoveel nazigespuis als in Oostenrijk. Begaafd, maar geen ruggengraat. Een imposante decadente cultuur tot in de jaren ’20, een paar voortreffelijk krankzinnige schrijvers, uitstekende muzikanten en een handvol goede acteurs. Het beste aan Oostenrijk vind ik nog altijd het paspoort. Hoe waardeloos het land is, blijkt alleen al uit het feit dat Stalin het niet eens cadeau wilde krijgen.

29.

Wanneer ze op de televisie bij de aftiteling iets bekend zouden maken over de werkorganisatie en productiewijze van de programma’s, met een duidelijk overzicht van de productiekosten, wanneer ze de kijker een banale inkijk zouden bieden (wat kost een podiumkostuum voor Dietmar Schönherr, bijvoorbeeld het pak dat hij uitgebreid door kinderen laat besmeuren in Wünsch Dir was om aan hun ouders op bedrieglijke wijze de voordelen van een “progressieve” opvoeding te demonstreren), wanneer de honararia van Robert Lembke, Erik Ode, Anneliese Rothenberger of Tatort-lieden en consoorten vergeleken konden worden met het maandinkomen van een redacteur, wanneer de dramaturgen hun keuzes vooringenomen en niet “democratisch” zouden moeten toelichten, wanneer budgetkwesties en personeelsbeleid transparant gemaakt zouden worden, kortom wanneer de televisie enige bereidheid zou tonen om zichzelf te demystifiëren, zou dat mij veel politieker lijken dan een of andere huilerige prent die zo “bewustzijnsveranderend” wil overkomen dat alleen al de vraag naar wat het allemaal kost in hun keel blijft steken.

(2) Günter Peter Straschek in Es stirbt allerdings ein jeder, fragt sich nur wie und wie Du gelebt hast (Holger Meins) (Renate Sami, 1975)

30.

Om evidente redenen heb ik geen contact met prostituees. Ik heb er geen behoefte aan en ik heb er evenmin de poen voor; vooral de verkeersregels zouden mij weinig plezier verschaffen. Toen ik jong was, trok ik na een bezoek aan het theater in Wenen (kelderavantgarde: ik liftte 200 km van Graz naar Wenen, bracht de nacht door in het park, keerde de volgende dag terug en werd een meester in het vervalsen van ouderlijke handtekeningen voor school) evenwel naar de Kärntnerstrasse en haar zijstraten. Goed vijftien jaar later ging ik om sentimentele redenen naar een tamelijk lieve en mollige hoer. Na een paar beleefdheden over mijn prestatie legde zij mij uit dat zij dit werk alleen deed omdat zij een of andere professor moest betalen voor een operatie. Haar dochter was doofstom geworden door de schok haar moeder geslagen te zien worden door de pooier aan wie ze uitgehuwelijkt was. Ik was onder de indruk van deze vrouw. Terwijl in “onze kringen” de vernieuwingsdrang van die aard is dat men intellectueel voortdurend met nieuwe stommiteiten moet komen aanzetten en elk inzicht een modernistisch tintje krijgt om verkocht te raken, hoefde deze werkende vrouw geen vooruitstrevende onzin te verkopen want in Oostenrijk is oude onzin meer dan goed genoeg. Stel je je dezelfde mollige hoer voor op de West-Duitse televisie, hijgend en enigszins bezweet, met veel denkpauzes ertussen: “De tegenstrijdigheden in onze maatschappij... Nu moet ik elke avond gaan tippelen...”

31.

In de herfst van ’63 was ik vastbesloten om naar de DDR te verhuizen. In een fabriek wilde ik werken. Meer zelfs, ik vond dat ik mijn bestaan fundamenteel moest veranderen. In Berlijn (DDR) stuurden ze me echter dagenlang van het ene ministerie naar het andere en weigerden ze beleefd. Een kritiek rondbazuinende, werkloze Oostenrijker kon deze eerste Duitse arbeiders- en boerenstaat niet gebruiken. Daar zal ik hen eeuwig dankbaar voor zijn.

32.

Kort na die gedenkwaardige première op 4 juli ’65 op de Berlinale leerden we elkaar kennen. Vandaag bestaat er tussen ons een hechte vriendschap. Ik ken niemand in de hele branche die zo gepassioneerd, onvermoeibaar en gewetensvol films maakt als deze twee. Zij behoren tot de weinigen die echt werken in dit vak [(en niet gewoon zitten te prutsen). Ze maken politieke films, geen films over politiek] en op wie ik kan rekenen. Nogmaals, voor wie het niet weet: hun films zijn het meest opwindende en vooruitstrevende dat er te vinden is in de cinema van vandaag.

Waarschijnlijk voel ik me zo met hen verwant omdat ik het gevoel heb dat ik in een gelijkaardig dilemma zit: moeten inzien dat men, door middel van een valse gedragspolitiek, dichter bij zijn doelen kan komen via persoonlijke inspanning, integriteit en materiële ellende / in plaats van in een politieke groepering een quasislachtoffer te worden van imponderabilia die geen ruimte meer laten voor verschillende arbeidsvormen. St.-H. stellen een haast onvoorstelbare machtsverheffing voor van de individuele inspanning, van wat één (of twee) personen kunnen bereiken in een industrie van “pooiers en hoeren”. Een strijd, weliswaar, die ascese en gefilterd anarchisme en moralisme verraadt, een immense psychische druk gecombineerd met uithoudingsvermogen, masochisme aangeboord als bron van nieuwe prestaties – de grootste materiële zorgen. [Ik zou hier nooit toe in staat zijn, maar het ontbreekt mij dan ook aan een Danièle H.] Toch klopt er wel iets van de beschuldiging aan het adres van hen beiden (en soms ook van mij) dat zij “aristocratisch” zouden zijn. Zodra men voor de individuele strijd heeft gekozen, is er geen andere weg. Maar na St.-H. hoeft niemand dezelfde weg te kiezen. Het zijn menselijke unicums. Een herhaling zou de industrie niet toestaan. Uiteindelijk zien wij in St.-H. slechts dat ene geslaagde voorbeeld van noodzakelijk verzet. Geen woord over de slachtoffers in deze branche (niet allemaal pooiers en hoeren). Gezien onze vriendschap mag ik zeggen: St.-H. als voorbeeld, niet als oplossing.

[Werner D., Hartmut B. en Harun F. kwamen tot het inzicht (dat ik graag zou willen onderschrijven) dat goede films alleen gemaakt kunnen worden door oudjes als Ford of Hawks. In het geval van St.-H. bestond de oplossing erin Jean-Marie en Danièle op te tellen.]

33.

Een redactiesecretaresse bij de WDR wil meeneuken in mijn pornofilm, maar wil niet met me naar bed. Dat noem ik nog eens een moraal.

34.

De filmseminaries aan het Institut für Sprache im technischen Zeitalter van de TU met (later Prof.) Dr. Friedrich K. waren voor mij doorslaggevend. Hoewel het tellen van shots volgens beweging, grootte of plotlijn niet veel bijbracht, werd het filmgevoel er toch gedifferentieerd, gedeïdealiseerd. Een lezing van twintig minuten over een shot van twee minuten vereiste nauwkeurige observatie en afweging. Het was tijdens deze seminaries, waar ik voor het eerst eindeloos dezelfde scènes doornam, lettend op slechts één element tegelijk (camerawerk, belichting, geluid, montage, acteurs, decor, enz.), dat ik enigszins begon te begrijpen wat film kon zijn vanuit niet-anti-intellectueel standpunt (hoewel de toenmalige opleiding mij overdreven positivistisch leek). In de jaren aan de TU (van ’64 tot ’66) was Dr. Friedrich K. mijn filmleermeester – ongeacht zijn teleurstellende publicaties, zijn onsolidaire en lafhartige gedrag.

35.

Wat zou er van mij geworden zijn als ik de verwachtingen had waargemaakt die men van mij als talent (te Graz) had?

Een roman bij Residenz Verlag in Salzburg, proza in manuscripten; vanuit “broeinest van jong talent en geheimtip” Graz kon ik helemaal tot in de “literaire Bondsrepubliek” gaan oogsten. Ik zou me samen met een paar kunstenaars dag in dag uit bezatten in steeds dezelfde kroegen en daarbij ter algemeen vermaak een paar petit bourgeois irriteren. Zuipen, moppen tappen en niet-politiek zijn zijn de ingrediënten van de moderne Stiermarkse dichter. Bij mijn “creatieve crisis” zou ik een serveerster mijn kont laten zien en dat zou de “schijtburgers” verontwaardigen en mij weer aan de praat krijgen. Op mijn 35ste zou ik een onaantastbare stadsparkverschijning zijn, op mijn 65ste zou ik de titel van professor krijgen. In de tussentijd zou mijn roem zijn teruggebracht tot het lokale niveau; als de mythe eenmaal is ingetreden, kun je er een heel leven niets meer aan doen.

Op mijn zeventiende was ik een bohemien en relschopper in hart en nieren (een van onze voorliefdes bestond erin ’s morgens om vier uur bezopen goulashsoep te gaan eten aan het sportbuffet en daar “nazivarkens” te zoeken. Mijn ouders konden opdraven voor de kosten van mijn nieuwe brilmontuur) en leerde ik oude mannen kennen die bocht dronken en maar wat graag vertelden wat voor een lokale talenten ze 20, 30 of 40 jaar geleden waren geweest – en het klopte nog ook! In het achterlijke Oostenrijk, honkvast en in negatieve zin ongeëvenaard, apolitiek en antianalytisch ingesteld, komt men – in beslag genomen door het moeras waar men uit wil klimmen – ongemerkt steeds dichter bij de bourgeoisie die men denkt te kunnen aanvallen door middel van persoonlijke schaamteloosheid, artistieke avantgarde en toegestane privileges. Wijd en zijd geen idee, beweging of partij (zeker niet de KPÖ) die zou kunnen helpen. Wat overblijft is inteelt met de hoop op een alsof-niet.

Het behoorlijke succes van literaire Stiermarkers in de BRD valt te begrijpelijk. Niet toevallig zijn de Grazers geïmporteerd op een moment (in de nasleep van Peter H.’s succes) dat zij konden dienen als tegenbeweging tegen de politisering van de kunst in de Bondsrepubliek. De vaak gênante “linkse” schrijfsels in de BRD maakte dat het project niet kansloos was. De Oostenrijkse poëzie is inderdaad veel gedifferentieerder en plezieriger dan wat Grass, Walser, Hochhuth en consoorten te bieden hebben. Finaal was er geen politiek verzet mogelijk tegen de sterke bewustwording en politisering in de culturele sfeer van de BRD; na de ervaring van het nazisme was dit zelfs voor de niet-liberale bourgeoisie een brug te ver. Zo brak het uur van Graz aan. Graz als exotiek, gelegen ergens richting Balkan, bekend om zijn goedkope doctoraten en automobilisten onderweg naar Griekenland. En in Graz zijn de kunstenaars nog zoals ze altijd geweest zijn en zouden moeten zijn; daar kan je nog enthousiast zijn over Benn zonder voor fascist te worden uitgemaakt. Aan de universiteit is het rustig, er valt weinig te vrezen qua verandering. Alleen cultureel kapitaal eist moderniteit; de avantgarde komt tegenwoordig uit de provincie (in de vorm van plagiaat, uiteraard, of als heruitgave, maar aangezien het nazisme alles vernietigd heeft, valt dit niet zo op). Graz kon voor het kunstmatig opgewekt nostalgisch gedoe een tamelijk onbedorven bohemiengehalte, decadentie en kunstenaarsattitude leveren. En niet zonder traditie. In Oostenrijk kijken ze al bijna een eeuw naar hun eigen verval. Niet dat ze er iets tegen ondernemen, ze staren alleen maar met grote extatische en trotse ogen naar de kunstproducten die over deze uitzichtloosheid gaan. Elke paar decennia de onvermijdelijke restauratie (achteruitgang) genaamd avantgarde. Maar daar merken de moffen niets van.

(3) Filmemigration aus Nazideutschland (Günter Peter Straschek, 1975)

36.

De talkshow Je später der Abend op 1 mei 1974. Ik ken domme vrouwen, waardeloze homo’s, gemene kleurlingen, gierige joden en ik ben zeker geen vrouwenhater, racist, antisemiet enz. De smeerlapperij en misdaden tegenover minderheden en andere (sociaal) zwakkere groepen zijn uiterst divers en in een betrekkelijk liberaal land als de BRD ook betrekkelijk vooruitstrevend. Of gecamoufleerd. In de uitspraken dat vrouwen, homo’s, kleurlingen, joden, zigeuners, gastarbeiders of criminelen  “ook mensen” zijn zoals “jij en ik” schuilt een ongelooflijke minachting. Toen Inge Meysel uitkraamde dat haar beste vrienden homoseksuelen waren (vergeet niet dat het in de jaren ’50 en ’60 de joden waren, en misschien worden gastarbeiders of zigeuners de volgende mode – al gok ik persoonlijk op kleurlingen), baltste haar vriend de moderator er verontwaardigd op los en riep zonder aarzelen zijn vrouw als kroongetuige op: met andere woorden, Vivi Bach moest Inge Meysel ervan overtuigen hoe voortreffelijk antihomoseksueel Dietmar Schönherr in bed kan zijn. Vriendelijk ja of nee zeggen tegen een onsympathieke mannelijke prostitué in een droevig stationstoilet betekent voor mij nog altijd meer vooruitgang, fatsoen en moed dan dit ronduit vrijblijvende pleidooi voor minderheden op televisie of op café, om nog maar te zwijgen over het cynisme een paar cultuurhomo’s (o wat zijn ze gevoelig en verstandig, ze vallen geen vrouwen lastig, etc.) als maatschappelijke versiering te gebruiken.

Bij elk streven naar emancipatie moet juist het verschil dat voortkomt uit een bijzondere kwaliteit als een recht en waarde benadrukt en behouden worden. De homoseksueel is niet “zoals” de heteroseksueel; in de strijd om zijn sociale bevestiging mag hij nooit zijn eigen interesses opgeven, zichzelf “redden” door zich te onderwerpen aan een pseudosociale egalitaire theorie – en zichzelf daarmee opgeven. Dit geldt vooral voor vrouwen en delinquenten.

37.

Vierendertig studenten, het merendeel na een (afgebroken) eerste studie of diverse beroepservaringen vastberaden wachtend op de mogelijkheid om hun opgekropte ideeën te verwezenlijken, meestal theoretisch geschoold en zelfbewust; een docentenkorps dat vaktechnisch tekortschiet, dat zich laf heen en weer laat slingeren tussen de directie en de studenten; een overbelaste directie, vooral wat betreft de opstartproblemen bij de oprichting van de academie: zo studeerde ik in de onschuldige jaren van de studentenopstand = 1966 – 68 regie aan de Deutsche Film- und Fernsehakademie Berlin GmbH (DFFB).

Voor zover ik me herinner, deden wij niet veel meer dan tumult veroorzaken, we konden niets anders. Veel verhalen over de wilde jaren aan de Berlijnse filmacademie zijn legendarisch en mythisch geworden (mijn eigen film Ein Western für den SDS zegt genoeg). Voor deze notities heb ik de kranten van die tijd herlezen en ik was geschokt door ons laatpuberale, grotendeels apolitieke gedrag. Niet dat men zich daar vandaag voor hoeft te generen; de directie en het onderwijzend personeel verdienden niet beter. Per slot van rekening was het onze politiek die de “schijtliberale speelruimte” drie à vier jaar verlengde en veilig stelde voor latere generaties (zonder dat de kans benut werd. De DFFB is thans een uitkeringsinstelling voor aanstaande ex-linksen). Zelfs in mijn overdrijving heb ik geen ongelijk als ik beweer dat de docenten meer van ons geleerd hebben dan wij van hen. Niet op “zuiver vaktechnisch” vlak: wat dat betreft waren er wel degelijk deskundigen aanwezig, zoals bijvoorbeeld de monteur Helmut H.. Wat betreft argumentatieleer en de bekwaamheid om zaken als verhoudingen op een andere wijze te leren zien dan normaal daarentegen... Wat het merendeel van het (steeds wisselende) docentenkorps kenmerkte, was een mengelmoes van veel gevoel, een beetje ervaring en techniek, weinig denkwerk en geen politiek. Bij ons was het andersom, in overdreven mate. De communicatie met de docenten (de regisseur die voor mij verantwoordelijk was, was Jiři W. uit Praag, die in 1968 naar Rome emigreerde...) was erg lastig omdat zij ons niet begrepen en amper een idee hadden van wat wij wilden realiseren. De “modernen” rond George M. waren niet minder “onbewust” dan de ouderen; ik weigerde categoriek om me door iemand als Gerard V. te laten onderwijzen in film. De teleurstelling was des te bitterder bij degenen van wie we iets hadden verwacht. Ulrich G. bleek al snel een lafaard die tussen de directie en het studentencorps laveerde, al was hij nog de naïefste handlanger van de directie. Vandaag begrijp ik dat beter: hij moest zijn gezin onderhouden, hij was freelancer, de job (filmklassiekers bestellen en bij de vertoning iets voorlezen uit zijn eigen boek Filmgeschichte) bracht maar 2000 DM per maand op. Het afstotelijke was niet zozeer zijn gedrag aan de DFFB – hij haatte ons immers – maar zijn sociaal-democratische filmfilosofie van de massa, van de middelmaat, van de middelmatigheid. Ietwat progressief qua inhoud, ietwat minder progressief qua vorm (hoewel die twee natuurlijk niet gescheiden mogen worden...), onverstoorbaar opkijkend naar de Russische film, beheerst alles duizendmaal afwegend en postzegelgewijs classificerend, afkerig van overdrijving of partijdigheid, zo flauw dat hij stonk. Daarom is Ulrich G. het ideale jurylid; tot in 2001 zullen we hem op elk festival en in elk selectiecomité aantreffen.

Niets tegen zijn collega’s (maar ook niets voor hen).

De directeurs waren Dr. Heinz R. en Erwin L., beiden met weinig verstand van film en cinema en niet de minste gevoeligheid voor het medium. Terwijl Dr. Heinz R. op administratief vlak een echte vakman is, bedreven in het inzamelen van geld en organiseren, een buitengewoon harde werker, die wijselijk op de vlakte bleef wat zijn persoonlijke visie op film en cinema betreft, was Erwin L. gewoon een luie oplichter. Hij zwaaide met slogans als “film is de concretisering van de tijd”; en hij had dezelfde mening over ons als wij over hem. Onvergeeflijk was, los van een zogenaamd antifascistische Mein Kampf, de achterlijkheid van zijn gebluf (ontbijt met Ingmar Bergman, aperitief met Jean-Luc Godard). De senaat merkte dit al snel op en er werd een directeur de woestijn ingestuurd. Vandaag moeten we Dr. Heinz R. nageven dat hij zijn levenswerk, de filmacademie, best handig door onze studentenopstand heeft geloodst – hoewel hij daarbij zichtbaar verouderd is.

Ikzelf werd na twee semesters samen met andere linksen van school gestuurd wegens een “totaal gebrek aan talent” en “artistieke onbekwaamheid”; na stevig protest werden we weer toegelaten als buitengewone studenten, waarna ik vervolgens tegen het eind van het derde semester opnieuw van school gestuurd werd wegens beledigingen aan het adres van de directie – ik had ze alleen maar “waterdragers van de West-Berlijnse senaat” genoemd – een half jaar later gevolgd door achttien andere studenten. De semesters aan de DFFB doen me denken aan Die Lümmel von der ersten Bank, met mij in de rol van Pepe, der Paukerschreck. Hoe dan ook, al die onzin was voor mij niet zozeer “bewustwording” als wel een laat hoogtepunt van mijn jeugdige onbezorgdheid die ten einde liep, een laatste kans om mij uit te leven. Cinema die niets met film te maken had.

38.

Van mijn hele thuisfront is Rudolf St. nog steeds mijn favoriet; ik voel in ieder geval meer voor deze familie-underdog dan voor de clan van moeders kant, een idyllische Stiermarkse middenklassefaçade waarachter hysterische gemeenheid en onwetendheid welig tieren; zelfs de neven en nichten van mijn leeftijd zijn van een soort braafheid die je de keel dichtknijpt. In deze “betere kringen” (waar de respectievelijke classificatie als communist, socialist of nazi slechts dient om de tolerantie van de familieclan in de verf te zetten) was oom Rudi niet erg geliefd. Na de Tweede Wereldoorlog was hij gemeenteambtenaar en hij werkte zich laten weg zeggen niet echt in het zweet, viel altijd “met zijn neus in de boter” (terwijl mijn vader de “ijverige en fatsoenlijke” was), had voortdurend wat aan de hand met vrouwen (als het bij de ene niet lukte, probeerde hij het met haar zus of vriendin), maakte voortdurend schulden en was met tussenpozen bijna elke dag een beetje dronken. Hij ging liever op café dan “naar de opera of een concert”; hij was nooit in staat het verschil tussen de datief en de accusatief te onthouden en was “niet iemand van het verstand”, maar trad als Dr. Ott op in cafés; bij een operette-uitvoering maakte hij ruzie over de rol van de dirigent, “die niet eens een instrument speelde”. Maar Hitler, zo wist mijn oom, betekende oorlog. Terwijl een paar nazi’s uit de familie zaken deden die ik enkel op vraag van mijn ouders nog niet op papier heb gezet, was oom Rudi “die er altijd de kantjes afliep” als antifascist actief aan het oostfront. Al tijdens zijn training was hij erop gebrand ernaast te schieten. In de Sovjet-Unie probeerde hij de meest bizarre dingen om ziek te worden, waaronder het drinken van vloeibare margarine in de hoop geelzucht te krijgen; niets leek te werken. Uiteindelijk fabriceerde hij een zandworst die hij stiekem bij zich droeg en waarmee hij zich voortdurend op de knie sloeg. Daarna ging hij met zijn misvormingen en verwondingen naar de dokter, die hem er al gauw van verdacht een simulant te zijn, of zelfs een zelfverminker. Als hij de dag erna nog eens met zo’n knie zou terugkomen, schreeuwde de nazidokter tegen hem, zou hij hem laten doodschieten. Maar in zo’n primitieve valstrik trapte mijn oom niet; hij ging de volgende dag naar de hospik – en werd met ziekteverlof gestuurd.

Als kind aanhoorde ik gefascineerd zijn oorlogsverhalen; oom Rudi raakte in vervoering wanneer hij vertelde over de “heerlijke Russische meisjes” in Odessa en Charkov, maar hij was ook de eerste om mij te vertellen wat “de onzen” daar hadden aangericht, en dat hij daarom “de Russen” begreep.

We zagen elkaar maar zelden. Toen ik aan de DFFB studeerde, vroeg hij mij eens of ik daar een doktersfilm kon maken – ik zei van niet – en of ik iets had met actrices als Romy Schneider, Senta Berger, Elke Sommer – ik zei van niet; teleurgesteld kwam hij nooit meer op mijn “studie” terug.

Oom Rudi had ongetwijfeld momenten van genialiteit: bijvoorbeeld zijn bereidheid om zonder blikken of blozen verder te schrijven in de zwarte vakjes wanneer hij een kruiswoordraadsel probeerde op te lossen.

In 1966 kwam ik met Jean-Marie St. naar Graz voor een vertoning van Nicht versöhnt oder Es hilft nur Gewalt, wo Gewalt herrscht waarbij ik een soort inleiding moest geven. Terwijl de aanwezige “intellectuelen" gewichtig Joyce te voorschijn haalden om de film te begrijpen, deed oom Rudi mij een paar dagen later “de generatiegeschiedenis van een architectenfamilie” uit de doeken op een manier die ik later nooit meer heb meegemaakt.

Oom Rudi stierf op 28 juni 1973 in Graz aan leverkanker, op 64-jarige leeftijd. Hij woog nog 25,5 kg. 

39.

’s Avonds laat kwam ik op het centraal station van Oberhausen ongeveer 70 pfennig tekort voor een kaartje naar Darmstadt, waar ik verwacht werd. Ik sprak een paar mensen aan die ik elke dag in de festivalzaal had ontmoet en verzekerde hen dat ik het bedrag onmiddellijk zou terugsturen in postzegels; zij zeiden nee. Maar dan gaf één heel slanke man me een mark en nodigde me uit op café. We wisselden adressen uit en ik spurtte naar het perron. Een tijd later bezocht de jongeman mij in West-Berlijn. We kwamen elkaar opnieuw tegen bij het toelatingsexamen voor de DFFB (voor de vragenlijst wilde hij van mij weten hoe je “feuilleton” schrijft) en uiteindelijk werden we in de herfst van ’66 alletwee toegelaten tot de filmacademie. Zo begon mijn vriendschap met Holger M.

Door de steeds scherpere discussies met het bestuur en de directie van de DFFB en de schok van de moord op Benno Ohnesorg was ook Holger M. een van degenen die in sneltempo gepolitiseerd raakten. Tijdens talloze cafénachten tot in de vroege uurtjes stampte ik er bij Holger M. bij wijze van spreken de basistheorieën van het marxisme in. De daaropvolgende jaren waren we erg close: hij – ongetwijfeld de beste cameraman aan de DFFB – deed de fotografie voor mijn film Ein Western für den SDS; we werkten samen aan een aantal projecten; we vochten met de flikken (ook tijdens plezieruitstapjes naar Pesaro en Venetië); we reden naar Frankfurt am Main omdat St.-H.’s Chronik der Anna Magdelena Bach daar werd vertoond (de eerste en enige keer dat ik meemaakte dat Holger M. door een film opgewonden en geagiteerd raakte. Hij was een fervent verdediger van de beroemde eindshots met de zee en de maan). Holger M. had erg bijzondere ideeën over vriendschap, die zich bijvoorbeeld uitten in zijn extreme bereidheid om alles genereus uit te lenen en ook alles te willen ontlenen. Hij was van een ongewone betrouwbaarheid en behulpzaamheid. Als autodidact en iemand die zijn middelbaar onderwijs had genoten aan een Staatliche Hochschule für Bildende Künste had hij een uitgesproken anti-intellectuele houding. Op een keer kwam hij gedegouteerd terug van een 1 mei-voorbereidingscomité waar de studenten alleen maar eindeloos gediscussieerd hadden en die ene proletariër concrete adviezen had aangebracht (hoe een waterkanon buiten werking te stellen). Vanaf dat moment werd het Holger M.’s rol om discussies na een tijdje te onderbreken met een antitheoretisch “bullshit!” en het probleem terug te brengen tot eenvoudige haalbaarheidscriteria en organisatorische mogelijkheden. Dat werd uiterst belangrijk, hoewel de wortels van de actionistische onrust zich onmiskenbaar begonnen te tonen. Al bij al moeten we een goed team zijn geweest omdat we elkaar aanvulden.

Tijdens het filmproject met de studenten in Frankfurt ontstonden tussen ons de eerste meningsverschillen. Ze hadden betrekking op de functie van film als instrument binnen een praktijk die op maatschappelijke verandering is gericht. Beiden hadden we daarvan weinig verwachtingen, maar terwijl Holger M. daaruit concludeerde dat hij zijn baan en beroep moest opgeven om in een andere sector te gaan werken, drong ik aan op het organiseren en doeltreffender maken van onze eigen sector. Ik voerde aan dat het een te persoonlijke oplossing was om van beroep te veranderen om dichter bij de basis te komen: fundamenteel kon er niet van hele groeperingen verwacht worden dat zij van beroep zouden veranderen; in plaats daarvan moest men zijn eigen vak politiseren, hoe weinig dat ook leek op te leveren. Een ander twistpunt was onze houding tegenover het anarchisme. Ik ben zelf allesbehalve tegen anarchistische daden als zodanig, maar zie graag dat ze concreet verband houden met een historisch dwingende situatie. Om politieke en strategisch machtsgerelateerde redenen, niet om morele redenen, zag ik anarchistische daden in het West-Europa van die tijd niet zitten. Holger M. kwam tot de tegenovergestelde conclusie. De opkomende factiestrijd maakte dat we elk onze eigen weg gingen; in tegenstelling tot in vele andere gevallen (niet de meest aangename) tastte dit onze vriendschap niet aan. De laatste keer dat we elkaar zagen was in de Mainzerstrasse, toen hij er vertrok en ik naar daar verhuisde; een paar weken later werd het appartement bestormd door ongeveer tien agenten. Toen ik op 1 juni 1972 hoorde dat hij samen met anderen gearresteerd was, was ik onthutst en bedroefd, hoewel ik erop voorbereid was. Dit is niet de plaats om deze gevoelens uit te leggen – tenzij misschien om een zekere solidariteit te benadrukken die veel verder gaat dan facties en tactische overwegingen.

(4) Lotte H. Eisner im Filmemigration aus Nazideutschland (Günter Peter Straschek, 1975)

40.

Sinds de Culturele Revolutie-jaren sta ik aan de kant van de Volksrepubliek China – ik ben behoorlijk goed op de hoogte van het beleid van Peking, hoewel de bronnen relatief moeilijk toegankelijk zijn, ik geen sinoloog ben en het mij bovendien aan tijd ontbreekt om consequent tot de feiten door te dringen. Van sommige tactieken op het vlak van buitenlands beleid begrijp ik helemaal niets, net zomin als van het onmarxistische indianenverhaal over Lin Piao; de machtsfactor van het leger zou ik preciezer willen kunnen vaststellen; de houding tegenover de Sovjet-Unie (deels parallel met die van de Duitse communistische partij tegenover de sociaal-fascisten in dit land vóór ’33) kan ik als buitenstaander niet “zuiver politiek” verklaren. Vier opmerkingen hierover:

1) Er zijn steeds meer reactionairen die opgelucht ademhalen wanneer men voor de Volksrepubliek China stemt, en dus tegen de Sovjet-Unie. De voetballer Breitner is niet meteen een aanbeveling, en de hele China-rage al evenmin. Ik geef toe dat dit gênant is, en we moeten ons afvragen waarom dit zo is.

2) De ontwikkeling van het socialisme in de Volksrepubliek China is zo innig verbonden met de specifieke en historische maatschappelijke ontwikkelingen in het land dat we er slechts met uiterste voorzichtigheid modellen voor onze eigen ontwikkeling uit mogen afleiden (daarom is het gemakkelijker te leren van fouten in de Sovjet-ontwikkeling dan van de Chinese vooruitgang). Helaas waren de marxistisch-leninistische facties degenen die dit het minst goed begrepen hadden. Want juist het eigen verlangen om codes om te zetten die voor een bepaald land in een bepaalde fase van het socialisme bepaalde gegevens aantonen zou de marxist-leninist het tegenwoordig zo licht gebruikte label “revisionistisch” moeten geven.

3) De geschriften van voorzitter Mao Tse-tung zijn zo moeilijk te begrijpen net omdat ze zo gemakkelijk te lezen zijn (jaren geleden heb ik eens de moeite genomen om alle Duitstalige uitgaven van het Rode Boekje met elkaar te vergelijken). Mao wordt pas begrijpelijk als men inziet dat hij geen enkele nieuwe gedachte aan het marxisme-leninisme heeft bijgedragen. Zijn genialiteit lag veeleer in de toepassing van de ideeën en methoden van het marxisme-leninisme op de concrete Chinese situatie. Zijn hier te lande zo gewaardeerde geschriften, zoals Over de praktijk en Over de tegenstellingen, lijken mij ook zijn zwakste, namelijk zijn “meest filosofische”, terwijl de vele kortere teksten die wij nauwelijks kunnen begrijpen, bepalend zijn voor zijn werkelijke agitatorische kracht. Deze omkering wordt verklaard door de vergissing erin te lezen wat voor ons abstract begrijpelijk is, hetgeen voor China dan weer niet Mao’s bepalende factor was/is.

4) De geschiedenis eindigt niet met het socialisme; het socialisme heeft zijn eigen geschiedenis die het niet bereid is op materialistische wijze te begrijpen. Voor mij vertegenwoordigt de Volksrepubliek China vandaag en in de nabije toekomst het meest vooruitstrevende deel van de socialistische beweging (bijgevolg niet het enige). Daarom sta ik aan deze kant – niet omdat de Volksrepubliek China onfeilbaar is of omdat ik in Mao geloof zoals in God. Dit zou elke “maoïst” moeten horen voor wie er alleen maagdelijkheid is, een wereldhistorisch zuiverheidsideaal als roesmiddel. Wanneer de eerste problemen en incidenten zich voordoen, keren zij zich teleurgesteld af. Dat lijkt mij een fundamenteel niet-marxistische houding.

41.

De wonderlijk hartstochtelijke liaison met een vrouw uit Graz op wie ik al jaren heimelijk verliefd was. Wat ons dichter bij elkaar bracht was het merkwaardige verlangen om in de ander te ontdekken en te beminnen wat men zelf niet bezat, meer nog, wat men helemaal niet wilde zijn, waartegen men zich in zijn vorig leven zo had verzet. Voor de trivialisten onder ons: ik waardeerde de “bourgeois” in haar, zij in mij de “antibourgeois”. En we hielden van elkaar.

Zij had steeds de beste schoolresultaten behaald, was onderzoeksassistente aan de universiteit, zeer intelligent, kon praten + luisteren, en was een van die vrouwen die, hoewel gevoelig, geen behoefte hebben aan voortdurend gezwets over emancipatie. Zij schijnt nooit meer geworden te zijn dan een echte liberaal. Alles was geregeld, ze kwam rond, had een bouwspaarcontract. Ze gedroeg zich dapper tegenover de gebruikelijke roddels en de gêne van haar familie omdat ze met mij, een werkloze armoedzaaier, “ging”. Veel van waarin deze gevoelige vrouw uitblonk was mij vreemd, of ik was er fundamenteel tegen: bij anderen zou het mij zo hebben gestoord dat ik niet had geweten wat te zeggen. Voor haar was het omgekeerd misschien net hetzelfde. Ze kwam uit een beroerd en onbevredigend verstandshuwelijk in Graz en het beviel haar dat ik een alleenstrijder was die zich niet onderwierp aan bepaalde verplichtingen, wat zij mijn “vrijheden” noemde en neerkwam op kunnen uitslapen, schulden maken of onbeschaamd autodidact zijn. Zij wist de dialectisch geschoolde gesprekspartner op zoek naar een sterke partner in mij te waarderen en met name mijn bewust egoïsme was voor haar een tijdelijke zelfbescherming tegen maatschappelijke verplichtingen en een middenstandsopvoeding. Wat ons verbond was uiteraard het bed. Zo kwam het dat na anderhalf jaar één kleine woordenwisseling genoeg was om ons bewust te maken van onze verschillen, van het feit dat we elkaars tegenpolen waren. Alsof we plots beseften dat het een roekeloze onderneming was geweest – we namen stijlvol afscheid en bleven elkaar genegen. Zij trouwde later een tweede keer in de BRD en is moeder van een zoontje van 5 jaar.

42.

Begin ’68 gingen Holger M. en ik namens de studentenraad naar München. Naar aanleiding van een mogelijk proces tegen de door ons aan de DFFB gemaakte instructiefilm Herstellung eines Molotow-Cocktails [Het maken van een molotovcocktail] zochten we filmmakers om als “deskundige” op te treden (analoog aan de Duitse professoren die tegen Teufel & Co. hadden getuigd in de rechtzaak rond de warenhuisbrand). Die probeerden zich beschroomd ver weg te houden van de affaire; alleen Alf B. toonde enig solidair organisatietalent. Dr. Alexander K. nodigde ons “namens de Hogeschool Ulm” uit voor een etentje, bekeek de kortfilm en deed met ons een ommetje; op de hoek van de Leopoldstrasse en de Ainmillerstrasse nam hij afscheid met de opmerking dat hij ons helaas geen rapport kon bezorgen omdat molotovcocktails, in tegenstelling tot ons tweeën, niet dialectisch (genoeg...) waren. Toen ik Jean-Marie St. hierover vertelde, bromde hij dat dialectiek voor K. erin bestond nog een laatste slok van de fles te nemen alvorens haar weg te gooien.

43.

Geen neus voor wat het kapitalisme allemaal heeft veranderd... Wordt het eindelijk spannend zoals in een thriller en dan wacht men geboeid op concrete feitelijke tips en worden “de tegenstrijdigheden van het kapitalisme” metafysisch gezien tot daders. Dat die tegenstrijdigheden hier te lande bestaan weet elk klein kind. Hoe ze er concreet uitzien, hoe ze veranderen/zich vermommen en hoe ze gebruikt kunnen worden ten voordele van de niet-geprivilegieerden – dat zou de whodunit moeten achterhalen.

Het begint gênant te worden dat ik me hier weer als conservatief moet blootgeven, maar ik lees nu al geruime tijd elke dag een paar bladzijden uit de verzamelde werken van Marx en Engels. Daarmee wil ik de geschriften van Nieuw Links (in al haar geledingen) allesbehalve beledigen – ik behoor ertoe en ik ben deel van hen – maar wat mijn liefde, enthousiasme en buitengewone belangstelling-cum-opwinding voor Marx & Engels (en ik benadruk Engels, die uit onwetendheid vaak geringschat of gehekeld wordt) opwekt, is het methodische! Tot dusver heb ik dit vermogen alleen bij Marx & Engels zo geniaal aangetroffen (in brieven en minder bekende artikelen overigens aanschouwelijker en begrijpelijker). Marx & Engels mogen zich nog duizend keer vergissen – wat niet moeilijk te bewijzen is – toch geven ze daarbij blijk van een menselijk vermogen tot inzicht en verandering dat als geen ander in staat is geweest fouten te beperken. Het gaat om de marxistische methode – niet om het op één hoop gooien van handige feiten tot een ideologisch tafereel met uitgezochte citaten. Lees elke dag een paar (bij voorkeur “onbekende”) bladzijden uit Marx & Engels (uit de voortreffelijke verzamelde werken) en je zult eindelijk begrijpen waar het om gaat, beter dan uit de zoveelste paperback over germanistiek en revolutie, opera en klassenstrijd, of iets dergelijks.

(5) Filmemigration aus Nazideutschland (Günter Peter Straschek, 1975)

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd als “Straschek 1963-74 Westberlin” in Filmkritik vol. 8, nr. 212 (augustus 1974), en wordt de komende maanden gepubliceerd in 4 delen op Sabzian.

CINEMATEK en het Goethe-Institut Brussel zullen in juni 2022 een retrospectieve en een tentoonstelling wijden aan Günter Peter Straschek.

 

Dit project kwam tot stand met de steun van het Goethe-Institut Brussel.

Met dank aan Karin Rausch, Julian Volz en Julia Friedrich en Museum Ludwig Keulen voor het verstrekken van de Engelse vertaling.

 

Beeld (1): Günter Peter Straschek (midden), Carlos Bustamante (links) en Johannes Beringer (rechts) op de set van Labriola (1970). Foto: Michael Biron.

Beeld (2): Günter Peter Straschek in Es stirbt allerdings ein jeder, fragt sich nur wie und wie Du gelebt hast (Holger Meins) (Renate Sami, 1975)

Beeld (3): Filmemigration aus Nazideutschland (Günter Peter Straschek, 1975)

Beeld (4): Lotte H. Eisner in Filmemigration aus Nazideutschland (Günter Peter Straschek, 1975)

Beeld (5): Filmemigration aus Nazideutschland (Günter Peter Straschek, 1975)